Skip to content

Adviseur was niet gevolmachtigd tot het doen van aangifte. Annotatie NTFR 2016/1748

De Hoge Raad oordeelde reeds in 1955 dat een (bestuurs)orgaan zich ervan moeten vergewissen of degene die een bezwaarschrift of aangifte indient inderdaad door de belastingplichtige daartoe is gemachtigd (HR 19 oktober 1955, nr. 12.447, BNB 1955/361). Het hof lijkt dit uitgangspunt ook in de onderhavige uitspraak toe te passen en legt de bewijslast bij de inspecteur om aannemelijk te maken dat de (voormalig) adviseur van belanghebbende gevolmachtigd was om de belastingaangifte over het jaar 2010 te doen.

Lees hier een voorproefje van het artikel:

Belanghebbende is in 1997 onder huwelijkse voorwaarden getrouwd met V. In 2011 hebben belanghebbende en V een echtscheidingsconvenant gesloten, waarin onder meer is bepaald dat ieder zijn eigen aangifte doet. Het huwelijk is in 2012 ontbonden. De adviseur die al jaren de aangiften van belanghebbende en V deed, heeft in juli 2012 ten name van belanghebbende voor het jaar
2010 aangifte IB gedaan. Ook de aangifte van V is door hem verzorgd. In de aangiften is ervoor gekozen de belastbare inkomsten uit eigen woning in de verhouding 0/100 en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen in de verhouding 33/67 toe te rekenen aan respectievelijk belanghebbende en V.

In geschil is of belanghebbende en V voor de hiervoor genoemde toerekening hebben gekozen. Het hof beslist dat nu belanghebbende gemotiveerd heeft betwist dat zij volmacht aan de adviseur heeft verleend, het aan de inspecteur is om aannemelijk te maken dat de adviseur bevoegd was de aangifte te doen. De inspecteur heeft verklaard dat hij dit niet met bescheiden of andere bewijsmiddelen kan. Daarom gaat het hof ervan uit dat de adviseur niet handelde op grond van een hem door belanghebbende verleende volmacht.

Naar het oordeel van het hof is verder hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd, onvoldoende om op grond daarvan te oordelen dat de inspecteur redelijkerwijs mocht aannemen dat belanghebbende aan de adviseur een toereikende volmacht tot het doen van aangifte voor 2010 heeft verleend. Er is wat betreft de toerekening geen sprake van een keuze als bedoeld in art. 2.17, lid 2, Wet IB 2001. In wezen is door belanghebbende geen aangifte voor het jaar 2010 ingediend.

Gelet op de huidige verstandhouding tussen belanghebbende en V, waarbij gezamenlijk kiezen voor een van 50/50 afwijkende verdeling onmogelijk is, wordt de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen geacht bij belanghebbende voor de helft tot haar bezit te behoren

Lees verder.

Gepubliceerd door onze specialist:

A.A. (Anke) Feenstra