De aanpak van ondermijnende criminaliteit leunt in grote mate op de meldplichten van financiële, fiscale en juridische dienstverleners. Aan hen is een poortwachtersrol toebedeeld. Op basis van de meldingen proberen toezichthouders en opsporingsdiensten zicht te krijgen op de geldstromen tussen de boven- en onderwereld. Dienstverleners vervullen daardoor een steeds grotere rol in de opsporing van witwassen. Maar dat is niet geheel vrijblijvend. De meest bekende meldplicht is die van een ongebruikelijke transactie op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (artikel 16 Wwft). Een melder te goeder trouw wordt gevrijwaard van civielrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid (artikel 19 Wwft). Maar, de informatie die door dienstverleners wordt verstrekt komt met enige regelmaat wel terecht in het strafdossier van een verdachte of een boetedossier van een toezichthouder, zoals in een fiscaal dossier van de belastingplichtige bij de Belastingdienst. Hoe zit het dan eigenlijk met de rechtsbescherming van de melder?
Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) benoemt in een nieuwsbericht op de website[1] dat soms signalen binnenkomen dat melders van kleine instellingen – waarvan de bedrijfsnaam direct valt te herleiden tot een natuurlijk persoon – onvoldoende waarborgen ervaren van hun veiligheid na het doen van een melding van een ongebruikelijke transactie. Het voorgaande komt, volgens het bericht, met name voor als de door FIU Nederland verdacht verklaarde transactie als bewijs in het strafdossier wordt toegevoegd en bij de verdachte bekend wordt wie de melding heeft gedaan.
Een Wwft-instelling moet er altijd van uitgaan dat haar melding op enig moment bij de betrokkene bekend raakt. Anoniem melden is namelijk niet mogelijk. De verdediging in een strafzaak of gemachtigde in een fiscale procedure zal in de regel verzoeken om de melding aan het dossier te laten toevoegen, als dat niet al is gedaan door het Openbaar Ministerie of de toezichthouder zelf. Het is immers in meerdere opzichten van belang om te kunnen toetsen hoe een onderzoek is gestart. Overigens blijkt ook uit informatie over de start van een onderzoek welke meldingen aan een onderzoek ten grondslag liggen. Het komt regelmatig voor dat uit het dossier blijkt dat nadere informatie in beslag is genomen bij de Wwft-instelling of dat de melder als getuige is gehoord.
Incidenten van bedreigingen van Wwft-instellingen waren al eerder aanleiding voor vragen vanuit de Tweede Kamer. In een brief van minister Grapperhaus van 13 november 2020[2] is toegezegd dat door opsporingsdiensten eerst nadere actie wordt ondernomen en contact wordt opgenomen met de melder om te bezien of er veiligheidsrisico’s zijn als de melding in het strafdossier wordt gevoegd of dat – volgens de wet in uitzonderlijke gevallen – gegevens van de melder geanonimiseerd moeten worden.
Gelet op de interne openbaarheid van het strafproces zal het niet snel voorkomen dat gegevens van een dienstverlener worden geanonimiseerd. Ook in het bestuursrecht geldt dat de gegevens van een Wwft-instelling slechts bij wijze van uitzondering niet bij de betrokkene bekend raken. Een toezichthouder dient in beginsel alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de melding, aan het dossier toe te voegen (artikel 8:42 Awb). Hij kan besluiten om een melding te anonimiseren en op grond van artikel 8:29 Awb, vanwege ‘gewichtige redenen’, weigeren om de persoonsgegevens bekend te maken. Of verzoeken om uitsluitend de rechter kennis te laten nemen van bepaalde stukken. In dat geval bepaalt de rechter of die weigering of beperkte kennisneming gerechtvaardigd is. Een mogelijkheid om op zitting getuigen te horen buiten aanwezigheid van de betrokkene kent het bestuursrecht niet.
De minister heeft toegezegd om de uitwerking van de antiwitwaswetgeving voor kleine ondernemingen te laten monitoren voor een periode van twee jaar. Het verslag hiervan – inclusief de bevindingen rondom de rechtsbescherming van melders – wordt in mei 2022 verwacht.
Het doen van een melding is overigens geen sinecure. Het blijkt in de praktijk vaak een worsteling om een transactie te melden waarvan aanleiding bestaat om te vermoeden dat deze verband zou kunnen houden met witwassen, zeker als al een langdurige relatie met een cliënt bestaat en de onderlinge verhoudingen goed zijn. Die worsteling klinkt met enige regelmaat door in de tekst van de melding zelf en laat ruimte voor interpretatie. Het is dus van belang om de melding en de informatie die daarmee wordt verstrekt zo feitelijk en zo zakelijk mogelijk te houden en niet te gaan speculeren of gissen. Daarmee dient de dienstverlener de belangen van de klant en van zichzelf.
Meer weten over de rechtsbescherming melders Wwft? Neem dan contact met ons op.
[1] https://www.bureauft.nl/2021/07/06/melders-van-kleine-wwft-instellingen-beter-beschermd/
[2] Kamerbrief over voortgang aanpak ondermijnende criminaliteit 2020 van 13 november 2020.