Skip to content

#339 Procesafspraken: een rollercoaster voor de verdachte!

20 November 2023

Procesafspraken vinden steeds meer ingang in de strafrechtpraktijk. Zeker na het arrest van de Hoge Raad waarin daarover een aantal algemene aandachtspunten zijn geformuleerd.[1] In complexe (fraude)zaken, die veel te lang duren, kunnen procesafspraken uitkomst bieden. Ook in zaken die minder complex zijn wordt geëxperimenteerd met een alternatief strafproces. Een bekend voorbeeld is het experiment van de Rotterdamse rechtbank met het zogenoemde STMK-project (Snelle Toekomstgerichte Meervoudige Kamerzitting). Vernieuwingen zijn hard nodig. Het rechterlijk bedrijf is zwaar overbelast, wat de kwaliteit van de rechtspraak aantast. Toch blijft waakzaamheid geboden. Verdedigingsrechten van de verdachte mogen bij procesafspraken niet in de knel komen. Dat lijkt wel het geval te zijn geweest in een STMK-zaak die door de Rotterdamse rechtbank is beslist, maar in hoger beroep een geheel andere wending kreeg. Voor de verdachte in kwestie een ‘rollercoaster’!

STMK-behandeling

Het ging om een van de eerste zaken die door de STMK werd behandeld. De voorzitter van de kamer laat tijdens de zitting van de raadkamer gevangenhouding merken dat de zaak zich leent voor een snelle afdoening. Hoe dat signaal eruit heeft gezien, leren de (gepubliceerde) stukken niet. Het signaal van de voorzitter leidt tot overleg tussen de officier van justitie en de verdediging. De verdediging vraagt aan de officier van justitie een indicatie te geven van de strafeis. Er volgt een gesprek om eens informeel van gedachten te wisselen over de zaak, ‘met de benen op tafel’, zoals het heet. De officier van justitie vraagt of de verdachte bereid is een verklaring af te leggen. Het beeld lijkt te zijn: als uw cliënt een verklaring aflegt (wat goed in het STMK-concept past), volgt een lagere strafeis. Daar lijkt de verdediging wel mee te kunnen leven. De verdachte legt op de STMK-zitting een verklaring af en de officier van justitie eist een straf die in overeenstemming is met de eerder aangegeven bandbreedte (24 tot 36 maanden).

De zaak wordt op de zitting van de STMK inderdaad supersnel afgedaan. Nog op dezelfde dag wijst de rechtbank vonnis[2] (à la de politierechter) en veroordeelt de verdachte, echter, tot een aanmerkelijk lagere straf dan geëist door de officier van justitie (30 maanden, waarvan 18 voorwaardelijk).

Eind goed, al goed? Nee dus.

De toorn van het hof

Het openbaar ministerie tekent hoger beroep aan en eist in hoger beroep maar liefst een gevangenisstraf van 6 jaar en 6 maanden. Dat moet hard zijn aangekomen bij de verdachte. De verdediging bepleit de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar het hof veegt dat verweer van tafel en veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 voorwaardelijk.[3] Dat is beduidend lager dan de strafeis van de AG, maar ook beduidend hoger dan het vonnis van de rechtbank.

Het hof laat zich in het arrest buitengewoon kritisch uit over het overleg tussen de officier van justitie en de verdediging. Er is nagenoeg niets vastgelegd, zodat niet kan worden getoetst of de verdachte afstand heeft gedaan van diens verdedigingsrechten. Daarom overweegt het hof dat de gemaakte afspraken (die waren er volgens het hof) op de zitting van de rechtbank expliciet aan de orde gesteld hadden moeten worden (externe openbaarheid).

Rechter moet waken over eerlijk proces

Daarbij moet worden opgemerkt dat evenmin kan worden vastgesteld of de rechtbank eigenstandig heeft getoetst of de verdachte zich bewust was van de gevolgen als hij zou verklaren en (naar het lijkt) ook overigens afstand zou doen van diens verdedigingsrechten. In het bijzonder als het gaat om de verklaringsvrijheid van de verdachte worden hoge eisen gesteld aan de rechter die moet waken over een eerlijk proces.

Procureur-generaal bij de Hoge Raad Bleichrodt heeft in zijn bekende conclusie over procesafspraken gewezen op ‘psychological pressure’ die kan ontstaan als aan de verdachte een bepaald voordeel in het vooruitzicht wordt gesteld als een bekentenis wordt afgelegd.[4] Dat kan onder omstandigheden leiden tot een oneerlijk proces. Zeker als de verdachte zich niet voldoende heeft gerealiseerd wat de gevolgen kunnen zijn van het afleggen van een verklaring. Zoals bijvoorbeeld een hoger beroep van het openbaar ministerie dat opeens totaal anders in de wedstrijd zit.

Uit het vonnis van de rechtbank kan niet worden afgeleid of de procespartijen in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over de voorgenomen straftoemeting. Die bleek aanzienlijk af te wijken van de strafeis van de officier van justitie. Ook daarover bevat de conclusie van de procureur-generaal de nodige aandachtspunten.

Goede afstemming noodzakelijk

Al met al niet zo’n fraaie afloop van een van de eerste STMK-zaken. Daarmee is niet gezegd dat het project geen navolging verdient, integendeel. Het kan ook anders, getuige de latere vonnissen van de rechtbank Rotterdam, waarin omstandig rekenschap wordt gegeven van de gang van zaken.[4]

Dringend noodzakelijk is wel, meen ik, dat afstemming plaatsvindt tussen de rechtbanken en de hoven over alternatieve wijzen van afdoening van zaken. Het moet niet zo zijn dat je als verdachte in Rotterdam beter af bent dan elders in het land. Dat zou de doorsnee ‘uithaler’ zelfs op gedachten kunnen brengen.

[1] HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252.
[2] Rechtbank Rotterdam 7 november 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:9983.
[3] Gerechtshof Den Haag 1 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2074.
[4] Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2022:566, nummer 8.16 conclusie.

[5] Rechtbank Rotterdam 24 december 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:12699.

Gepubliceerd door onze specialist:

P.J. (Peter) van Hagen