Uitgangspunt van Karl Popper[1] is dat wetenschap draait om weerlegging en niet bevestiging. Een voorbeeld daarvan zien we in twee recente uitspraken van Rechtbank Gelderland. Wie alleen zoekt naar bewijs vóór een hypothese, bedrijft geen wetenschap. Hetzelfde geldt in het recht voor de waarheidsvinding. Op 12 december 2025 vernietigde de rechtbank deelnemersboetes die waren opgelegd aan een belastingadviseur en fiscalist en verweet de inspecteur daarbij niets minder dan tunnelvisie.
De rechtbank oordeelde onomwonden dat de inspecteur in een tunnelvisie was beland: feiten werden geselecteerd om een vooraf ingenomen standpunt te schragen, in plaats van dat het standpunt uit de feiten volgde. Confirmation bias optima forma.
De uitspraken, ECLI:NL:RBGEL:2025:10883 and ECLI:NL:RBGEL:2025:10897, gepubliceerd op 10 maart 2026, zijn voor de praktijk om meerdere redenen van belang.
De pleger als fundament
De eerste les is juridisch elementair maar wordt in de praktijk geregeld over het hoofd gezien. Een deelnemersboete, of het nu gaat om feitelijk leidinggeven, medeplegen of medeplichtigheid, veronderstelt dat de pleger, ofwel de belastingplichtige, ook opzet heeft. In deze zaken had de rechtbank op dezelfde dag geoordeeld dat de vennootschappen zelf géén opzet of grove schuld kon worden verweten, omdat de aandeelhouder en het formele bestuur mochten vertrouwen op hun belastingadviseurs. Zonder pleger kan echter geen sprake zijn van feitelijk leidinggeven, medeplegen of medeplichtigheid. In een dergelijk geval kan hooguit sprake zijn van doen plegen, hetgeen kennelijk niet was gesteld door de Belastingdienst. En alleen al om die reden stort het kaartenhuis in voordat de eerste verdieping is gebouwd.
Opzet is persoonlijk
De tweede les is dat opzet moet zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden die jou persoonlijk aangaan. De beboete naamgever van het belastingadvieskantoor had in vijf jaar slechts 70 van de 1.006 gefactureerde uren op zijn naam staan. De dienstverleningsovereenkomsten waren ondertekend door een andere partner. De inspecteur maakte in zijn controlerapport en in het toestemmingsverzoek echter nauwelijks onderscheid tussen het kantoor als organisatie en deze adviseur als persoon. Het feit dat 70 uren waren geschreven, een fractie van het totaal, bleef dan bijvoorbeeld ook onvermeld in het toestemmingsverzoek.
De rechtbank trok hieruit twee consequenties. Allereerst was de toestemmingsprocedure gebrekkig. Dit punt verdient afzonderlijke aandacht, omdat het laat zien dat confirmation bias niet alleen de inhoudelijke beoordeling aantast, maar ook de procedurele waarborgen ondermijnt. Op grond van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst is voorafgaande toestemming van de algemeen directeur en het Directoraat-Generaal vereist voor het opleggen van een deelnemersboete. Die toestemming is geen formaliteit: zij dient als onafhankelijke waarborg dat de boete op deugdelijke gronden berust. In deze zaken bleek het toestemmingsverzoek slechts conclusies te bevatten zonder concrete, op de persoon toegesneden feiten. De toestemmingsverleners kregen dus geen juiste voorstelling van zaken en konden hun waarborgfunctie onmogelijk serieus uitoefenen.
Daarnaast ontbrak ieder bewijs van persoonlijk opzet. Toerekening van kennis of opzet van de ene persoon aan de andere is niet mogelijk, zo benadrukte de rechtbank. De aangedragen e-mails bewezen hooguit dat de adviseur in de cc stond of als doorgeefluik fungeerde. Bovendien is wat mij betreft rechtsoverweging 72 bij uitstek relevant. Daarin staat dat in de presentaties als fiscaal risico is vermeld dat een discussie (met de Belastingdienst) kan ontstaan over de werkelijke leiding. Maar een fiscaal risico onderkennen levert geen opzet op. Dit betekent immers niet dat daaruit kan worden afgeleid dat belanghebbende wist, zich ervan bewust was of redelijkerwijs van bewust had moeten zijn dat het benoemde risico zich ook daadwerkelijk had verwezenlijkt.
Hetzelfde gold voor de fiscalist van het accountantskantoor in de parallelle zaak: ook daar ontbrak het individuele, op de persoon gerichte bewijs voor opzet.
Adviseren is geen deelnemen
Adviseren over een fiscale structuur is op zichzelf geen verboden gedraging, bevestigde de rechtbank. Voor medeplegen is een bijdrage van voldoende gewicht vereist; voor medeplichtigheid moet concreet worden aangetoond welke handeling de adviseur heeft verricht die het vergrijp heeft gefaciliteerd. De enkele stelling dat de adviseur “behulpzaam was bij het opzetten van de structuur” is, aldus de rechtbank, “volstrekt onvoldoende”.
De inspecteur meende het bewijs te kunnen compenseren met volume: een rapport met ruim 2.200 bijlagen, 1.277 nader ingebrachte documenten van meer dan 27.000 pagina’s, plus FIOD-stukken. De rechtbank veegde die aanpak van tafel: het is niet aan de rechter om in tienduizenden pagina’s zelf op zoek te gaan naar bewijs dat de stellingen van de inspecteur zou kunnen staven. De bewijslast voor de boete rust concreet bij de inspecteur.
Tunnelvisie afgestraft
Rechtbank Gelderland maakt terecht het verwijt van tunnelvisie bij de inspecteur. De rechtbank kwalificeerde dit als “ernstig onzorgvuldig” en kende hoge proceskostenvergoedingen toe: € 68.791,54 in de zaak van de naamgever en € 25.000 in de zaak van de fiscalist, plus € 2.000 immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De boodschap van de rechtbank is duidelijk: zorgvuldigheid is geen luxe in het boeterecht, het is een vereiste. En voor wie zich, net als Karl Popper, afvraagt waar goede wetenschap begint: bij de bereidheid om de eigen overtuiging te weerleggen, niet om haar te bevestigen. Die les geldt voor de wetenschap, voor het recht, en dus ook voor de Belastingdienst.
[1] Karl Popper is een Oostenrijkse filosoof (1902-1994).

