Een strafrechtelijk onderzoek kan een onderneming veel geld kosten. Niet alleen vanwege een eventuele boete of strafbeschikking, maar ook vanwege de kosten die worden gemaakt voor advocaten, interne onderzoeken, forensisch accountants en compliance experts. Over die dienstverlening is doorgaans btw verschuldigd. Bij omvangrijke onderzoeken kan het btw-bedrag aanzienlijk zijn. Maar mag een onderneming die btw ook als voorbelasting in aftrek brengen?
Die vraag kwam eerder aan de orde in een arrest van de Hoge Raad van 11 april 2025 over advocaatkosten die een vennootschap betaalde voor de strafrechtelijke verdediging van haar bestuurder. In een recente uitspraak van 4 augustus 2026 trekt Rechtbank Den Haag de lijn verder door. De rechtbank oordeelt dat de btw op juridische kosten die samenhangen met omvangrijke internationale strafrechtelijke onderzoeken pro rata aftrekbaar is.
De uitspraak is wat ons betreft vooral interessant omdat de rechtbank duidelijk onderscheid maakt tussen de aanleiding voor de kosten en het doel waarvoor de onderneming die kosten maakt.
Van corruptieonderzoek naar btw-discussie
De zaak bij Rechtbank Den Haag betreft de moedermaatschappij van een internationaal concern. Nadat bij een intern onderzoek onregelmatigheden waren ontdekt rond tussenpersonen, ontstonden strafrechtelijke onderzoeken in onder meer het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en de Verenigde Staten. Uiteindelijk werden met verschillende autoriteiten Deferred Prosecution Agreements (DPA’s) en andere regelingen getroffen, waardoor het strafrechtelijk onderzoek werd beëindigd. Daarmee waren bedragen van in totaal ongeveer € 3,6 miljard gemoeid.
Daarnaast maakte de onderneming aanzienlijke juridische kosten. In de jaren 2016 tot en met 2019 ging het om ruim € 294 miljoen aan kosten voor onder meer advocaten, adviseurs en andere dienstverleners. Zij werden ingeschakeld voor de verdediging in de strafrechtelijke onderzoeken, het voorkomen van strafvervolging en het verbeteren en implementeren van het compliance- en ethiekprogramma.
Over deze dienstverlening was circa € 61,8 miljoen aan btw verschuldigd. Daarvan had de onderneming, overeenkomstig een met de Belastingdienst afgesproken pro rata, ruim € 55 miljoen in aftrek gebracht.
De Belastingdienst zette daar uiteindelijk een streep door voor een deel van de kosten.
Kan verdediging tegen strafvervolging een ondernemingsbelang zijn?
Voor de aftrek van btw moet de ingekochte dienst voldoende verband houden met de economische activiteiten van de ondernemer. Bij strafrechtelijke rechtsbijstand draait de discussie doorgaans om de vraag wiens belang de dienstverlening primair dient: dat van de onderneming of het persoonlijke belang van een bestuurder of werknemer.
In een eerdere bijdrage in het Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht bespraken Scheer en Morawski deze problematiek aan de hand van onder meer het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2025. Daarin ging het om een vennootschap die de advocaatkosten betaalde van een bestuurder die strafrechtelijk werd vervolgd. Het hof had geoordeeld dat de rechtsbijstand ook het ondernemingsbelang diende. De kennis en vaardigheden van de bestuurder waren van belang voor de continuïteit van de onderneming. De Hoge Raad liet dat oordeel in stand.
Daarmee werd duidelijk dat een benadering wordt gehanteerd, waarbij niet alleen wordt gekeken naar degene die rechtstreeks van de advocaatbijstand profiteert, maar ook naar de zakelijke reden waarom de onderneming die kosten voor haar rekening neemt.
De Haagse rechtbank past die gedachte nu toe in een aanzienlijk bredere context.
De aanleiding is niet beslissend
De Belastingdienst koos in deze procedure voor een principiële benadering. Volgens de inspecteur hield een deel van de advocaat- en onderzoekskosten rechtstreeks verband met omkoping en corruptie. Omdat dergelijke gedragingen absoluut verboden zouden zijn, zouden de daarmee samenhangende kosten buiten de economische activiteiten van de onderneming vallen. De inspecteur verwees daarbij naar de arresten Einberger en Happy Family van het Hof van Justitie.
De rechtbank gaat daarin niet mee.
In de eerste plaats heeft de inspecteur volgens de rechtbank niet aan zijn bewijslast voldaan dat sprake was van dergelijke absoluut verboden handelingen. Dat er DPA’s waren gesloten en ongeveer € 3,6 miljard was betaald om strafvervolging te voorkomen, was daarvoor onvoldoende.
Maar interessanter is wat de rechtbank daarna overweegt: zelfs als dat anders zou zijn, volgt daaruit nog niet zonder meer dat de btw op de daarmee verband houdende juridische kosten niet aftrekbaar is. De door de inspecteur aangehaalde Europese jurisprudentie is volgens de rechtbank onvoldoende vergelijkbaar.
Dat lijkt ons terecht. Die rechtspraak heeft betrekking op handel in verdovende middelen als economische activiteit. De juridische dienstverlening in deze casus wordt juist afgenomen nadat mogelijke onregelmatigheden zijn geconstateerd, die mogelijkerwijs verband hebben gehouden met de economische activiteit, maar niet als zelfstandige activiteit zijn te kwalificeren. Daarnaast wordt de bijstand ingeschakeld met het oog op de toekomst, meer in het bijzonder voor onderzoek, verdediging, herstel en, niet onbelangrijk, de continuïteit van de onderneming.
Van oorzaak naar doel
Daarmee komen we bij misschien wel de belangrijkste overweging uit de uitspraak.
De rechtbank acht aannemelijk dat de onderneming zich genoodzaakt zag juridische diensten af te nemen om strafrechtelijke vervolging te voorkomen en daarmee haar economische activiteiten veilig te stellen. Strafvervolging kon grote gevolgen hebben voor het verkrijgen van exportkredieten, vergunningen en nieuwe opdrachten, en zelfs voor het voortbestaan van het concern.
Dat die gevolgen niet zeker waren, maakt volgens de rechtbank niet uit. De onderneming hoefde dat risico niet te nemen. De juridische kosten waren daarom gemaakt ten behoeve van haar algemene economische activiteiten. De btw daarop was pro rata aftrekbaar.
Voor de praktijk betekent dit dat niet alleen de aanleiding voor de kosten moet worden beoordeeld, maar ook het ondernemingsbelang dat met die kosten wordt gediend.
Bij advocaatkosten die voortvloeien uit een strafrechtelijk onderzoek ligt het voor de hand om vooral naar de oorsprong van de kosten te kijken: zonder de verdenking of de mogelijk strafbare gedragingen waren de kosten niet gemaakt. Maar voor de btw-aftrek is dat niet noodzakelijk het einde van de discussie. De vraag is ook welk ondernemingsbelang met het maken van de kosten wordt gediend.
Een voldoende verband met de economische activiteiten kan met name bestaan wanneer de kosten worden gemaakt om de onderneming in staat te stellen haar activiteiten voort te zetten of een voor haar bedreigende strafvervolging af te wenden. Ook het behoud van vergunningen of financiering en het kunnen meewerken aan een onderzoek kunnen daarbij relevante zakelijke belangen zijn.
En de advocaat van de werknemer?
Ook op dit punt bevat de uitspraak een interessante overweging.
Een deel van de juridische kosten zag op bijstand aan werknemers. Het BUA kan in beginsel in de weg staan aan aftrek wanneer diensten voor persoonlijke doeleinden van personeel worden gebruikt. Rechtsbijstand aan een strafrechtelijk vervolgde werknemer kan daaronder vallen.
Maar ook hier kijkt de rechtbank naar het werkelijke ondernemingsbelang.
De onderneming verklaarde dat werknemers rechtsbijstand kregen, zodat zij vrijuit konden spreken in het interne onderzoek en in het kader van de te sluiten DPA’s. De bijstand was volgens de onderneming niet gericht op een eventuele individuele strafvervolging en er was geen tegenstrijdig belang ontstaan.
De rechtbank achtte daarom aannemelijk dat de kosten primair ten behoeve van de onderneming waren gemaakt. Het eventuele persoonlijke voordeel voor de werknemers was daaraan ondergeschikt. Het BUA stond daardoor niet aan aftrek in de weg.
Dat een bestuurder of werknemer persoonlijk voordeel heeft van de rechtsbijstand, sluit btw-aftrek door de onderneming dus niet uit. Doorslaggevend is het primaire doel waarvoor de onderneming de dienstverlening afneemt.
Wat betekent dit voor de dagelijkse praktijk?
Voor de strafrechtpraktijk en de fiscale verantwoording daarvan zit daar meteen een belangrijke les. De zakelijke reden om advocaatkosten, onderzoekskosten of kosten van rechtsbijstand aan werknemers te dragen, moet niet pas worden bedacht wanneer enkele jaren later een btw-controle plaatsvindt.
Juist bij aanvang van een intern of strafrechtelijk onderzoek verdient het aanbeveling vast te leggen:
- wie de opdrachtgever en afnemer van de juridische dienstverlening is;
- welk ondernemingsbelang met de dienstverlening wordt gediend;
- waarom de kosten noodzakelijk of dienstig zijn voor de continuïteit van de onderneming;
- waarom eventuele rechtsbijstand aan werknemers of bestuurders mede of primair in het belang van de onderneming wordt verstrekt;
- hoe de dienstverlening samenhangt met bijvoorbeeld het interne onderzoek, compliance, vergunningen, financiering, reputatie of de continuïteit van de bedrijfsvoering.
Dat is niet alleen van belang voor de btw. Een duidelijke vastlegging voorkomt ook discussie over de tenaamstelling en omschrijving van declaraties en over de vraag voor wiens rekening bepaalde verdedigingskosten daadwerkelijk komen.