Op grond van artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht is een feit pas strafbaar wanneer dit in de wet strafbaar is gesteld. Deze bepaling vormt de wettelijke verankering van het legaliteitsbeginsel. Wanneer de wetgeving is gewijzigd na het begaan van het feit, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.
Lees hier alvast een voorproefje van het artikel:
De gedachte achter het legaliteitsbeginsel is het waarborgen van rechtszekerheid en hangt samen met het uitgangspunt dat het recht bedoeld is om de burger te beschermen tegen willekeur. Het legaliteitsbeginsel houdt ook in dat strafbaarstellingen geen vage of onduidelijke bepalingen mogen bevatten (lex certa). Volgens de Hoge Raad is een zekere vaagheid in de aard en inhoud van bepaalde strafrechtelijke normen echter ‘onvermijdelijk’. Wel moeten die normen voldoende concreet zijn om de burger in staat te stellen zijn gedrag daarop af te stemmen.
Van professionele marktdeelnemers mag worden verlangd dat zij zich gedegen laten informeren over de beperkingen waaraan hun gedragingen zijn onderworpen. Wanneer een rechter een strafbaarstelling in een concreet geval te onbepaald acht, kan hij deze onverbindend verklaren dan wel buiten toepassing laten. In dat geval kan de rechter tot de uitspraak ontslag van alle rechtsvervolging komen.
Artikel 11 van de Wet algemene bepalingen schrijft weliswaar voor dat een rechter niet de ‘innerlijke waarde of billijkheid’ van een wet mag beoordelen, maar deze beperking moet hoe dan ook wijken voor de verdragsrechtelijke vastlegging van het legaliteitsbeginsel (artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens).
Lees het volledige artikel hier: #651: Balanceren op het koord van het strafrechtelijk legaliteitsbeginselÂ