Belanghebbende is eigenaar van een golfbaan die door een dochtermaatschappij wordt geëxploiteerd.
Uit de administratie van belanghebbende over 2011 blijkt dat van de verschuldigde omzetbelasting een bedrag van € 174.152 niet is aangegeven en voldaan. Van dit bedrag ziet € 125.875 op de verhuur van de golfbaan. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag en een vergrijpboete van 75% opgelegd. Voor het bedrag van € 48.277 acht het hof de inspecteur niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat sprake is van opzet. De inspecteur heeft geen enkel onderzoek gedaan naar de relevante feiten en omstandigheden ten aanzien van het niet betalen van de € 48.277 aan omzetbelasting, zodat niet bekend is op welke belastbare prestaties dit bedrag betrekking zou hebben. Laat staan dat de inspecteur heeft onderzocht of dit bedrag met opzet ten tijde van het doen van aangifte niet is betaald.
Dat belanghebbende geen suppletieaangifte heeft gedaan kan geen onderbouwing zijn van de boete, die immers betrekking heeft op het handelen of nalaten van belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte. Ten aanzien van het niet betalen van € 125.875 betreffende de verhuur van de golfbaan kan belanghebbende wel opzet worden verweten. Dat de huurder, een dochter van belanghebbende, de betreffende omzetbelasting niet bij het doen van aangifte in aftrek heeft gebracht doet daar niet aan af. Het hof acht een boete van € 62.500 passend en geboden en vermindert deze nog met € 2.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep. Anders dan de inspecteur meent, kan een voortvarende behandeling van het hoger beroep de eerder geconstateerde spanning en frustratie vanwege de overschrijding van de redelijke termijn niet wegnemen.