Anke Feenstra en Mariëlle Boezelman bespreken het wetsvoorstel ‘herziening strafbaarstelling faillissementsfraude’, dat eind vorig jaar werd aangekondigd in het kader van het wetgevingsprogramma ‘Herijking Faillissementsrecht’. Met name de hierin opgenomen bepalingen die betrekking hebben op de nieuwe strafbaarstelling van het niet voldoen aan de administratie- en inlichtingenplicht komt aan de orde. Wat is namelijk de toegevoegde waarde – of juist niet – van deze nieuwe bepaling, naast de reeds bestaande strafbaarstelling hiervan in de AWR?
Lees hier alvast een voorproefje:
In dit artikel bespreken wij eerst de achtergrond van het wetsvoorstel. Vervolgens gaan wij in op de in het wetsvoorstel opgenomen bepalingen die betrekking hebben op de nieuwe
strafbaarstelling van het niet voldoen aan de administratie en inlichtingenplicht. Wij zullen de toegevoegde waarde – of het ontbreken daarvan – van deze nieuwe bepaling bespreken aan de hand van de reeds bestaande strafbaarstelling ten aanzien van de administratie- en bewaarplicht in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).
1. Achtergrond van het wetsvoorstel
De strafbaarstelling van faillissementsfraude is ondergebracht in titel XXVI van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) (art. 340 tot en met art. 349). In deze titel wordt gesproken over de eenvoudige en bedrieglijke bankbreuk. Bedrieglijke bankbreuk, of faillissementsfraude, is strafbaar gesteld als een misdrijf waardoor schuldeisers wederrechtelijk worden benadeeld.
De art. 340 en 342 Sr betreffen de eenvoudige bankbreuk. Het gaat hierbij om de lichtere strafbaarstellingen, zoals buitensporige verteringen en het niet in ongeschonden staat tevoorschijn brengen van boeken en bescheiden.
De maximale straf die kan worden opgelegd voor de eenvoudige bankbreuk is één jaar gevangenisstraf of een geldboete van de vijfde categorie (thans ¤ 78.000). Vervolging voor deze strafbaarstellingen komt in praktijk echter niet vaak voor.1 Art. 341 en 343 Sr betreffen de bedrieglijke bankbreuk, het gaat hierbij om de zwaardere strafbaarstellingen zoals het vervreemden van goederen beneden de waarde en een van de schuldeisers ter gelegenheid van het faillissement bevoordelen. De maximale straf die kan worden opgelegd voor de bedrieglijke bankbreuk is zes jaar gevangenisstraf en een geldboete van de vijfde categorie.
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt als uitgangspunt genomen het frauduleus handelen bij een faillissement of frauduleus handelen waardoor consumenten het vertrouwen in de economie verliezen. Dit levert in brede zin maatschappelijke schade op. De memorie van toelichting laat hierbij uiteraard niet onvermeld dat ook de overheid nadeel ondervindt. Vaak wordt door de failliet geen belasting betaald of worden geen sociale premies afgedragen.
Het kabinet wil met dit wetsvoorstel de aanpak van faillissementsfraude versterken door onder meer de wettelijke mogelijkheden om strafrechtelijk tegen faillissementsfraude
op te treden te verbeteren. De bepalingen van art. 340 tot en met 343 Sr worden aangepast aan de hand van de jurisprudentie van de Hoge Raad. Daarnaast krijgt de strafbaarstelling van de schending van de inlichtingenplicht, de administratie- en bewaarplicht een prominente rol.