Angelique Perdaems heeft het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2017, nr. 16/01405 over de bevoegheidsverdeling tussen burgerlijke en belastingrechter van commentaar voorzien in NTFR 2017/1966. De Hoge Raad oordeelde in deze zaak dat uitsluitend de belastingrechter bevoegd is tot beoordeling van de juistheid van de aanslagen toeristenbelasting. Dat geldt ook indien die aanslagen worden bestreden met de stelling dat de daaraan ten grondslag liggende overeenkomsten nietig zijn op gronden ontleend aan het burgerlijk recht. Angelique gaat in haar commentaar nader in op de bevoegdheidsverdeling tussen de burgerlijke en belastingrechter.
Lees hier de samenvatting:
Een rederij heeft twee overeenkomsten met de gemeente gesloten over de heffing van toeristenbelasting. In deze overeenkomsten is voor de jaren 2011 en 2012 bepaald hoeveel personen in Marken verblijven en wordt voor dat geschatte aantal personen de toeristenbelasting berekend naar het geldende tarief van € 0,50. In de overeenkomsten is bepaald dat geen rechtsmiddelen mogen worden ingesteld.
Nadat voor de jaren 2011 en 2012 aanslagen toeristenbelasting zijn opgelegd, stelt de rederij een vordering in bij de burgerlijke rechter. De rederij vordert een verklaring voor recht dat de overeenkomsten nietig zijn in de zin van art. 3:40 BW. De rederij stelt dat de overeenkomsten strekken tot een door art. 223 Gemeentewet verboden afdracht op aangifte, dat de belastingplichtige toerist de mogelijkheid wordt onthouden een rechtsmiddel in te stellen tegen de toeristenbelasting, dat de verordening een fixatie van de toeristenbelasting niet toestaat en dat de overeenkomsten leiden tot heffing van dubbele belasting van dezelfde personen voor hetzelfde feit.
De rederij stelt dat alleen de civiele rechter bevoegd is te oordelen over de gevorderde nietigverklaring van de overeenkomst en betoogt dat de belastingrechter niet de bevoegdheid toekomt tot het uitspreken van een verklaring van recht in verband met de toetsing aan art. 3:40 BW. De Hoge Raad oordeelt evenals het hof dat uitsluitend de belastingrechter bevoegd is te oordelen over het geschil omtrent de aanslagen toeristenbelasting.
Daarbij overweegt de Hoge Raad dat het niet ter vrije bepaling van partijen staat of de burgerlijke rechter dan wel de belastingrechter bevoegd is van een geschil kennis te nemen. De Hoge Raad merkt op dat de belastingrechter in het kader van een fiscaal besluit mede kan nagaan of een daaraan ten grondslag liggende overeenkomst rechtsgeldig is en in die toetsing ook
art. 3:40 BW kan betrekken.
Lees hier het volledige artikel: Bevoegheidsverdeling tussen burgerlijke en belastingrechter. Annotatie NTFR 2017/1966