Skip to content

Cassatienieuws juli en augustus 2026

03 September 2026
PREJUDICIELE VRAGEN

Strafrechter stelt prejudiciële vragen over gevolgen HR-arrest inzake Italmoda en artikel 69 AWR

In ons cassatienieuws van maart bespraken wij het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:279). De belastingkamer oordeelde daarin dat artikel 67f AWR geen grondslag biedt voor een vergrijpboete wanneer aan de nationale materiële voorwaarden voor toepassing van het btw-nultarief is voldaan en de naheffing ziet op het weigeren van dat nultarief op grond van de Italmoda-jurisprudentie. Volgens de Hoge Raad was de nageheven omzetbelasting in dat geval niet op grond van de nationale wet verschuldigd geworden en hoefde deze daarom ook niet op aangifte te worden voldaan. Het legaliteitsbeginsel staat in dat geval aan sanctionering in de weg.

In maart schreven wij reeds dat deze redenering naar onze mening niet beperkt blijft tot bestuurlijke boeten. Indien aan de materiële voorwaarden voor het nultarief is voldaan, lijkt moeilijk vol te houden dat er sprake is van een onjuiste aangifte in de zin van artikel 69, lid 2, AWR, wanneer de vermeende onjuistheid uitsluitend voortvloeit uit de Italmoda-rechtspraak. Tegen die achtergrond is het interessant dat het Gerechtshof Amsterdam in zijn arrest van 28 augustus 2026 prejudiciële vragen heeft gesteld aan de Hoge Raad.

Het Hof benoemt verschillende omstandigheden die mogelijk onderscheid maken met de zaak die leidde tot het arrest van 20 februari 2026. Zo wijst het Hof erop dat in de voorliggende strafzaken mogelijk niet alleen de bestemming van de goederen, maar ook de werkelijke afnemer is verhuld. Daarnaast noemt het Hof het ontbreken van het btw-identificatienummer van de werkelijke afnemer. Het Hof wenst te vernemen of strafrechtelijke veroordeling voor vervolging wegens het opzettelijk onjuist doen van een aangifte omzetbelasting nog mogelijk is wanneer de vermeende onjuistheid in die aangifte is terug te voeren op een toepassing van het nultarief voor intracommunautaire leveringen (of van het recht op aftrek) waarop geen recht bestaat louter vanwege het plegen van btw-fraude door de belastingplichtige zelf, in de vorm van het verhullen van de identiteit van de afnemer(s) van zijn intracommunautaire levering(en), dan wel vanwege de omstandigheid dat de belastingplichtige wist of had moeten weten van btw-fraude in een keten waarvan zijn handelingen onderdeel zijn.

Het Hof wenst in feite te vernemen of na het arrest van de belastingkamer over de onmogelijkheden voor fiscale beboeting een strafrechtelijke veroordeling nog mogelijk is bij strafrechtelijke vervolging voor fraude in de keten. Het is onzes inziens terecht dat deze vraag aan de Hoge Raad wordt voorgelegd, omdat de delictsomschrijvingen van artikel 67f AWR en artikel 69, lid 2, AWR verschillend zijn. Artikel 67f AWR ziet op het opzettelijk niet betalen van belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, terwijl artikel 69, lid 2, AWR het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte strafbaar stelt. Voor de praktijk is het dan ook van belang dat de Hoge Raad duidelijkheid geeft over de gevolgen van het fiscale boete-arrest voor strafzaken.

Wij zijn dan ook benieuwd hoe de Hoge Raad de prejudiciële vragen zal interpreteren en beantwoorden. De beantwoording van die vraag zal bepalend zijn voor strafzaken waarin de vermeende onjuistheid van de aangifte uitsluitend is gebaseerd op de Italmoda-rechtspraak.

Bekijk hier de volledige uitspraak van Gerechtshof Amsterdam

ARRESTEN HOGE RAAD

Bij verzuimboetes geldt de gunstigste sanctie

Aan de belanghebbende in deze zaak is wegens het niet indienen van de aangifte IB/PVV 2011 een verzuimboete opgelegd. Omdat sprake was van een tweede achtereenvolgend aangifteverzuim, paste de inspecteur paragraaf 21, lid 6a, BBBB (oud) toe, en stelde de verzuimboete vast op 20% van het wettelijk maximum van € 4.920. De boete is opgelegd op 10 januari 2015.

De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur een te hoge boete heeft opgelegd omdat de gunstigste regels moeten worden toegepast. Met ingang van 1 januari 2014 is in paragraaf 21, lid 2, BBBB het boetepercentage voor het aangifteverzuim verlaagd naar 7% van het wettelijke maximum. Het overgangsrecht bij die wijziging beperkte de toepassing van dit lagere percentage tot belastingjaren vanaf 2014. Omdat het hier het belastingjaar 2011 betreft, zou op basis van het overgangsrecht het oude, zwaardere regime van toepassing blijven.

De Hoge Raad zet dit overgangsrecht echter opzij. Op grond van het legaliteitsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR en op grond van artikel 5:46, lid 4, Awb moet bij verandering van regelgeving, dus ook bij verandering van beleidsregels, de voor de overtreder gunstigste bepaling worden toegepast. Nu het aangifteverzuim op 7 mei 2014 aanving en de gunstigere regeling toen reeds gold, mag de boete niet hoger zijn dan 7% van het wettelijke maximum. Ook voor het bepalen van het boetemaximum moet worden uitgegaan van het gunstigere maximum dat in 2014 gold in plaats van het maximum dat gold ten tijde van de boeteoplegging in 2015. Bij het bepalen van het maximum moet worden aangesloten bij het maximum dat gold op het tijdstip waarop het aangifteverzuim een aanvang neemt. Dit geldt onzes inziens ook voor betalingsverzuimen.

Dit arrest laat zien dat bij het invoeren van nieuwe lichtere boetebepalingen geregeld moet worden dat de gunstigere boeteregeling doorwerkt naar oudere belastingjaren. Voor de praktijk betekent dit dat bij opgelegde boetes steeds moet worden getoetst of tussentijdse wijzigingen tot een gunstigere uitkomst kunnen leiden. Dat geldt ook voor het maximumbedrag dat bij het opleggen van een verzuimboete mag worden gehanteerd.

Bekijk hier het volledige arrest

ARRESTEN HOGE RAAD

Niet-blokkeren aanslagoplegging is kenbare fout

De Belastingdienst mag navorderen bij een nieuw feit, kwade trouw of een kenbare fout. Het is vaste jurisprudentie dat een beoordelingsfout niet onder het fout-begrip van de kenbare fout valt. Bij een beoordelingsfout is sprake van een verwijtbaar onjuist inzicht van de Inspecteur in de feiten dan wel onjuist inzicht in het recht.

In het onderhavige geval heeft de gemachtigde met de inspecteur afgesproken dat pas aangifte van de vervreemdingswinst zou worden gedaan als de hoogte van de vervreemdingswinst bekend is. Vervolgens wordt ambtshalve een aanslag zonder vervreemdingswinst opgelegd. In geschil is of mag worden nagevorderd.

Het Hof oordeelde dat sprake is van een beoordelingsfout omdat de aanslagregelend ambtenaar heeft nagelaten kennis te nemen van de bij de Belastingdienst aanwezige informatie over de vervreemding, en daardoor niet heeft onderkend dat deze zich had voorgedaan. De Hoge Raad casseert dit oordeel.

De Hoge Raad oordeelt dat geen sprake is van een beoordelingsfout. De Hoge Raad sluit aan bij de fout van de aanslagregelend ambtenaar. Dat hij heeft nagelaten een behandelvoornemen op te nemen in het computersysteem van de Belastingdienst, is aan te merken als een fout in ruime en neutrale zin. Dat is de fout op grond waarvan mag worden nagevorderd. Het niet-blokkeren van de aanslagoplegging kan volgens de Hoge Raad niet worden aangemerkt als een verzuim dat voortvloeit uit een verwijtbaar onjuist inzicht van de Inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingschuld. De Hoge Raad overweegt dat het feit dat geen kennis is genomen van de afspraak over de vervreemding, het gevolg is van het niet opnemen van een behandelvoornemen in het systeem. De fout die bestaat uit het niet opnemen van een behandelvoornemen wordt dan ook in lijn met eerdere jurisprudentie aangemerkt als een fout in de zin van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR.

A-G Koopman kwam in zijn conclusie voorafgaand aan dit arrest ook tot de conclusie dat mag worden nagevorderd op grond van een kenbare fout. Voor de praktijk is het nog van belang dat voor navordering bij een kenbare fout een afwijkende termijn geldt. De navorderingstermijn is dan twee jaar vanaf het tijdstip waarop het besluit is genomen om geen aanslag op te leggen, dan wel de belastingaanslag is vastgesteld.

Bekijk hier het volledige arrest

ARRESTEN HOGE RAAD

Geslaagd beroep op vertrouwensbeginsel in woonplaatsdiscussie

In het arrest van 7 augustus 2026 stond de fiscale woonplaats centraal van een bestuurder van een internationaal concern die jarenlang in Monaco woonde en in 2016 geleidelijk terugkeerde naar Nederland. De kernvraag was of belanghebbende al vanaf 1 januari 2016 als binnenlands belastingplichtige kon worden aangemerkt, of pas vanaf 18 april 2016. Hof Den Bosch had het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel, het gewekte vertrouwen rond een ruling over RSU’s en het gelijkheidsbeginsel verworpen. De Hoge Raad casseerde de hofuitspraak echter op drie onderdelen en verwees de zaak naar hof Arnhem-Leeuwarden.

De Hoge Raad oordeelde allereerst dat het Hof ten onrechte een subjectieve maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van het vertrouwensbeginsel. Beslissend is niet of de belastingplichtige daadwerkelijk vertrouwen heeft ervaren, maar of van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. De Hoge Raad komt zelf tot het oordeel dat vertrouwen is gewekt, omdat de inspecteur gedurende de gehele aanslag- en bezwaarfase uitdrukkelijk het standpunt had ingenomen dat belanghebbende in de eerste periode niet in Nederland woonde. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het Hof heeft verzuimd te responderen op de essentiële stelling dat de ruling zelfstandig vertrouwen had gewekt ten aanzien van de RSU’s.

Tot slot oordeelt de Hoge Raad dat het Hof het oordeel over het gelijkheidsbeginsel onvoldoende heeft gemotiveerd. De Hoge Raad overweegt dat ook als stukken onder de geheimhouding van artikel 8:29 Awb vallen de rechter zijn oordeel moet motiveren, zodat dit controleerbaar en aanvaardbaar is. Die motiveringsverplichting wordt begrensd tot de mate van motivering die mogelijk is zonder gegevens die geheim moeten blijven prijs te geven.

Voor de praktijk en de lopende woonplaatsonderzoeken en -procedures valt op dat de Hoge Raad het eerste cassatiemiddel, over de houdbaarheid van het woonplaatsbegrip van artikel 4 AWR, onbehandeld laat. Daarmee is de principiële discussie over de rechtszekerheid van die open norm voorlopig niet beantwoord. Voor een uitgebreide analyse van het arrest op dit punt, zie #463 Fiscale woonplaats: een gemiste kans! – Hertoghs advocaten.

Bekijk hier het volledige arrest

HvJ EU

Invorderingswet in strijd met Europese grondrechten

Het HvJ EU heeft arrest gewezen in de zaak van een bestuurder die op grond van Luxemburgs recht hoofdelijk aansprakelijk was gesteld voor de btw-schuld van de vennootschap waaraan hij leidinggaf. De vennootschap had de tegen haar opgelegde btw-aanslagen niet tijdig aangevochten, waardoor deze definitief waren geworden. De kernvraag was of artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van toepassing is wanneer een lidstaat een dergelijk mechanisme van hoofdelijke bestuurdersaansprakelijkheid hanteert ter waarborging van de btw-inning. Dat artikel bepaalt het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Het HvJ EU bevestigt dat dit recht van toepassing is. Een nationale regeling die bestuurders hoofdelijk aansprakelijk stelt voor onbetaalde btw valt onder de tenuitvoerlegging van met name artikel 273 van de btw-richtlijn, zodat het Handvest onverkort van toepassing is.

Van bijzonder belang is dat het HvJ EU oordeelt dat een nationale regeling die de in vrijwaring opgeroepen bestuurder belet om incidenteel op te komen tegen de onderliggende, definitief geworden belastingaanslag, in strijd is met artikel 47 van het Handvest. De bestuurder moet in eigen naam de feitelijke vaststellingen en juridische kwalificaties in de aanslag kunnen betwisten, voor zover deze relevant zijn voor zijn verweer tegen de aansprakelijkstelling. Daarbij benadrukt het HvJ EU het subjectieve karakter van de verdedigingsrechten en de mogelijkheid van tegenstrijdige belangen tussen bestuurder en vennootschap.

De uitspraak heeft potentieel verstrekkende gevolgen voor de Nederlandse praktijk, met name voor de werking van artikel 49 lid 7 Invorderingswet op grond waarvan de aansprakelijk gestelde thans is gebonden aan onherroepelijke rechterlijke uitspraken over de onderliggende aanslag. Deze bepaling lijkt de rechten van de aansprakelijk gestelde bestuurder verder te beperken dan volgens dit recente arrest is toegestaan. Tijd voor herziening?

Bekijk hier het volledige arrest

EHRM

Eerste adviesvraag Hoge Raad aan EHRM

De Hoge Raad beschikt op grond van het Zestiende Protocol bij het EVRM over de bevoegdheid om het EHRM te verzoeken een advisory opinion uit te brengen over principiële verdragsrechtelijke vragen binnen de context van een aanhangige zaak. Dit instrument vormt een waardevol middel om fundamentele rechtsvragen vroegtijdig te laten beslechten. In het arrest van 30 juni 2026 past de Hoge Raad deze adviesvraagprocedure voor de eerste keer toe. Dit naar aanleiding van een herzieningsaanvraag ten nadele van een in 2012 onherroepelijk geworden vrijspraak in een strafzaak wegens moord, gebaseerd op nieuw DNA-bewijs verkregen door destijds nog niet beschikbare onderzoekstechnieken (artikel 482a lid 1 onder a Sv), welke wij eerder bespraken in het cassatienieuws van maart 2026. De kernvraag is of de Wet herziening ten nadele, die op 1 oktober 2013 in werking trad, kan worden toegepast op rechterlijke uitspraken die vóór die datum onherroepelijk waren geworden.

De Hoge Raad analyseert deze vraag vanuit meerdere perspectieven. Bij de toetsing aan het EVRM constateert de Hoge Raad dat zowel artikel 6 EVRM als artikel 7 EVRM onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een eenduidige beantwoording van de vraag of herziening ten nadele met terugwerkende kracht met deze verdragsbepalingen verenigbaar is. De bestaande EHRM-rechtspraak wijst niet eenduidig in de richting van een bevestigende of ontkennende beantwoording.

Gelet hierop en op de verdeeldheid in zowel de internationale vergelijking als de Nederlandse rechtsgeleerde literatuur, houdt de Hoge Raad iedere verdere beslissing aan en verzoekt hij het EHRM op grond van artikel 1 van het Zestiende Protocol bij het EVRM een advisory opinion uit te brengen over de principiële vraag of de artikelen 6 en/of 7 EVRM toelaten dat een regeling die herziening ten nadele mogelijk maakt wordt toegepast op uitspraken die reeds onherroepelijk waren geworden voordat die regeling in werking trad.

De mogelijkheid om advies aan het EHRM te vragen kan ook in fiscale of boeteprocedures een interessante route zijn. In een cassatieprocedure kan dit onder de aandacht van de Hoge Raad worden gebracht door daar een gemotiveerd voorstel voor te doen, zie hierover A.J.C. Perdaems TFB 2022/2.

Bekijk hier het volledige arrest