Skip to content

Cassatienieuws mei 2026

04 June 2026
WELKOM

Beste lezer,

Hierbij leest u ons cassatienieuws over de maand mei. Vanwege het meireces bij de Hoge Raad is het aantal gewezen arresten beperkt. Niettemin hebben we weer een mooie selectie samengesteld.

We bespreken onder meer arresten van de Hoge Raad over de bekendmaking van aanslagen via de Berichtenbox, het bepalen van de redelijke termijn voor de immateriële schadevergoeding en de invloed van het gedrag van de gemachtigde op een termijnverlenging en ook het arrest over het voorkomen van stapeling van dwangsommen.

Daarnaast bespreken we het arrest over weigering van renteaftrek. Dat arrest is interessant, omdat de Hoge Raad vergaande oordelen van het Hof over de tegen-tegenbewijsregeling van art. 10a Wet Vpb en fraus legis in stand laat, waardoor het eindoordeel neerkomt op weigering van de renteaftrek. Voor de praktijk is dit arrest ook relevant omdat de Hoge Raad een uitbreiding van de rechtsstrijd door het Hof toelaat. Wat ons betreft gaan het Hof en ook de Hoge Raad daarmee te ver, omdat de inspecteur wordt geholpen.

Verder besteden we aandacht aan het arrest van de Hoge Raad over langjarige verhuur en belegging in de zin van art. 20a, lid 8, a Wet Vpb.

Tot slot komt de conclusie van A-G Pauwels in de massaalbezwaar-plusprocedure uiteraard ook aan bod. Wij zien nog ruimte voor deze groep, omdat in de belangenafweging meer rekening zou kunnen worden gehouden met de gebrekkige communicatie over het feit dat bij massaal bezwaar op individueel niveau bezwaar moet worden gemaakt.

Wij wensen u veel leesplezier!

Heeft u vragen of wilt u sparren? Neem dan vooral contact met ons op.

Hartelijke groet,

Angelique Perdaems, Diede Molenaars, Antoine Blomen, Sara van Hemert & Josephine Hermes

ARRESTEN HOGE RAAD

Verzending e-mailnotificatie geen vereiste voor bekendmaking aanslag

De Hoge Raad oordeelt in zijn arrest van 1 mei 2026 dat de verzending van een e‑mailnotificatie geen wettelijke voorwaarde vormt voor de elektronische bekendmaking van een belastingaanslag. In deze zaak was een naheffingsaanslag parkeerbelasting geplaatst in de Berichtenbox van MijnOverheid. Belanghebbende stelde dat hij daarvan niet op de hoogte was geraakt, omdat hij geen e‑mailnotificatie had ontvangen en dat daarom geen aanmaningskosten verschuldigd waren.

Zowel A‑G Pauwels als de Hoge Raad onderschrijven dat de bekendmaking plaatsvindt door plaatsing in de Berichtenbox van MijnOverheid op grond van artikel 2:17 (oud) jo. artikel 3:41 Awb. Hoewel de vraag of een e-mailnotificatie is verzonden dus niet relevant is voor de bekendmaking van de aanslag, is deze wel relevant voor de vraag of aanmaningskosten in rekening mogen worden gebracht. De Hoge Raad oordeelt dat de belanghebbende niet heeft gesteld dat hij had gekozen voor het ontvangen van e-mailnotificaties en dat er derhalve van moest worden uitgegaan dat deze functie niet was ingeschakeld. Dit komt voor rekening van belanghebbende. Had de belanghebbende hier wel voor gekozen – en dit in onderhavige procedure ook gesteld – dan kan het niet verzenden van een dergelijke notificatie in strijd komen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit kan volgens de Hoge Raad tot gevolg hebben dat geen aanmaningskosten in rekening mogen worden gebracht.

Opvallend is overigens dat de Hoge Raad afwijkt van de conclusie van Pauwels. De Hoge Raad oordeelt, zoals gezegd, dat belanghebbende niet heeft gesteld dat hij had gekozen voor het ontvangen van e-mailnotificaties en dat er derhalve van moest worden uitgegaan dat de functie niet was ingeschakeld. Pauwels gunde de belanghebbende nog het voordeel van de twijfel door in de stellingen van belanghebbende te lezen dat hij hiervoor wel had gekozen. Dit benadrukt wederom het belang van de stelplicht en bewijslastverdeling.

Bekijk hier het volledige arrest

ARRESTEN HOGE RAAD

Geen dwangsom bij niet-tijdig beslissen op bezwaar tegen dwangsombesluit

De Hoge Raad heeft op 1 mei 2026 beslist in een geschil over de verschuldigdheid van een dwangsom bij het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen een dwangsombesluit. De belanghebbende had de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB 2020. Nadat de inspecteur bij beschikking vaststelde dat geen dwangsom was verbeurd, maakte belanghebbende bezwaar. Vervolgens stelde hij de Inspecteur opnieuw in gebreke, deze keer wegens het niet tijdig beslissen op dat bezwaar. De inspecteur verklaarde het bezwaar alsnog gegrond en kende een dwangsom toe voor het niet tijdig beslissen op het oorspronkelijke verzoek om ambtshalve vermindering, maar weigerde een tweede dwangsom toe te kennen voor het niet tijdig beslissen op bezwaar.

De Hoge Raad oordeelt dat in de dwangsomregeling van paragraaf 4.1.3.2 Awb besloten ligt dat geen dwangsom kan worden verbeurd bij het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen een dwangsombesluit. De wet voorkomt daarmee dat dwangsommen zich opstapelen. De Hoge Raad erkent dat een uitspraak op bezwaar in beginsel een beschikking op aanvraag is waarop de dwangsomregeling van toepassing is, maar aanvaardt in dit geval een gerechtvaardigde uitzondering.

Dit arrest komt niet als een verrassing. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep waren de belastingkamer reeds voorgegaan met gelijkluidende oordelen. De Hoge Raad heeft zijn oordeel wel uitgebreider onderbouwd. Nu de hoogste bestuursrechters op één lijn zitten, is de rechtseenheid gediend.

Het voorkomen van stapeling is door de wetgever benoemd. Niettemin heeft dit in de praktijk tot gevolg dat het lang duurt voordat een dwangsombesluit wordt genomen, zonder dat de belanghebbende daar iets aan kan doen.

Bekijk hier het volledige arrest

ARRESTEN HOGE RAAD

Renteaftrek geweigerd en ambtshalve uitbreiding rechtsstrijd door het Hof

In dit eveneens op 1 mei 2026 gewezen arrest heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over het toelaten van de tegen-tegenbewijsregeling en het leerstuk fraus legis. Een Nederlandse bank en een Franse bank zijn een samenwerking aangegaan met een vennootschap (belanghebbende in dit arrest) voor het opzetten van een investeringsstructuur. Na onderzoek legde de inspecteur navorderingsaanslagen op en corrigeerde hij de bij belanghebbende in de jaren 2007/2008 en 2008/2009 in aftrek gebrachte rentelasten volledig.

De Hoge Raad laat de inmiddels bijna vijf jaar oude uitspraak van Hof Amsterdam, waarin de renteaftrek werd geweigerd, in stand. Procesrechtelijk is het oordeel van de Hoge Raad interessant ten aanzien van het door het Hof ambtshalve aan de orde stellen van de toepassing van de tegen-tegenbewijsregeling voor het tijdvak 2007/2008. De inspecteur heeft een beroep gedaan op de tegen-tegenbewijsregeling van artikel 10a, lid 3, letter b, eerste volzin Wet Vpb voor het tijdvak 2008/2009 en gesteld dat op grond daarvan renteaftrek wordt geweigerd. Het Hof heeft partijen ter zitting ambtshalve voorgehouden dat de tegen-tegenbewijsregeling vanaf 1 januari 2008 in werking is getreden en dus ook betrekking kan hebben op een deel van de aanslag 2007/2008. Het Hof oordeelde dat de inspecteur aan de tegen-tegenbewijsregeling heeft voldaan, waardoor renteaftrek vanaf 2008 werd geweigerd.

In cassatie is geklaagd over deze ambtshalve beoordeling door het Hof. De Hoge Raad overweegt dat het Hof, in verband met de stelling van de inspecteur over het tijdvak 2008/2009, ter zitting de rechtskundige vraag aan de orde heeft gesteld of de regeling geldt vanaf 1 januari 2008. Daarna heeft de inspecteur zich voor het boekjaar 2007/2008 op de tegen-tegenbewijsregeling beroepen. De Hoge Raad acht het kennelijk gewenst dat de inspecteur dit beroep alsnog kon doen en komt, met een wat gekunstelde redenering, tot het oordeel dat het niet eerder innemen van die stelling kennelijk voortkwam uit een dwaling in het recht door de inspecteur. Naast die dwaling in het recht acht de Hoge Raad van belang dat aan belanghebbende voldoende gelegenheid is geboden om op het standpunt van de inspecteur te reageren. De Hoge Raad oordeelt al met al dat, gelet op deze specifieke omstandigheden, het Hof artikel 8:69 Awb en de goede procesorde niet heeft geschonden. Het oordeel van het Hof dat de tegen-tegenbewijsregeling tot weigering van renteaftrek leidt, wordt in stand gelaten.

De Hoge Raad laat eveneens het oordeel van het Hof dat in het jaar 2007 renteaftrek wordt geweigerd vanwege toepassing van fraus legis in stand. De Hoge Raad houdt afstand van de feitelijke oordelen van het Hof en overweegt dat het Hof heeft kunnen oordelen dat in het onderhavige geval, wat betreft (de rente over) bepaalde leningen als onderdeel van een samenstel van rechtshandelingen, sprake is van handelen in strijd met doel en strekking van de wet. Daardoor is voldaan aan het voor toepassing van het leerstuk van wetsontduiking geldende motief- en normvereiste.

Het middel van belanghebbende inhoudende dat zowel de tegen-tegenwijsregeling van artikel 10a Wet Vpb als de toepassing van het leerstuk fraus legis in strijd zijn met het Unierecht, wordt door de Hoge Raad verworpen onder verwijzing naar het begin dit jaar gewezen arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:60) waarover we in de eerste cassatienieuwsbrief hebben geschreven.

De Hoge Raad laat aldus de uitspraak van het Hof in stand, waardoor de renteaftrek is geweigerd. Het gaat erg ver dat de inspecteur in een procedure als deze door het Hof wordt geholpen door ambtshalve in te gaan op de tegen-tegenbewijsregeling voor het tijdvak 2007/2008. Onzes inziens gaat het Hof daarmee te ver en had de Hoge Raad dit moeten sanctioneren. De ruimte die de Hoge Raad in dit arrest biedt voor het ambtshalve aanvullen van de stellingen is weliswaar beperkt tot specifieke omstandigheden, maar mag wat ons betreft geen voorbode zijn voor hoven om de inspecteur vaker te helpen door geschilpunten ambtshalve naar voren te brengen.

Bekijk hier het volledige arrest

ARRESTEN HOGE RAAD

Verlenging redelijke termijn voor immateriële schadevergoeding

In een ander arrest van 1 mei 2026 geeft de Hoge Raad nadere rechtsregels voor het vaststellen van een immateriële schadevergoeding voor een overschrijding van de redelijke termijn. In dit arrest gaat de Hoge Raad in op het bepalen van de redelijke termijn. Het uitgangspunt is dat de rechtbank binnen twee jaar na aanvang van de termijn uitspraak moet doen. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden, kan een langere termijn dan twee jaar redelijk zijn.

De Hoge Raad noemt als bijzondere omstandigheid de invloed van de belanghebbende en diens gemachtigde op de duur van het proces. Daaronder valt bijvoorbeeld niet een eenmalig verleend uitstel van een zitting. Dit uitstel is in de termijn van twee jaar verdisconteerd. Het moet gaan om procesgedrag dat tot een zodanige vertraging leidt dat het daarmee gemoeide tijdsverloop niet kan zijn verdisconteerd in de standaardtermijn van twee jaar. Verder moet het gaan om het procesgedrag in de betreffende zaak waarover de rechter oordeelt, tenzij het procesgedrag in andere zaken een zaaksoverstijgend belang heeft. In dat geval kan dit worden meegenomen bij de beoordeling of de redelijke termijn wordt verlengd.

Bij de vaststelling van de termijnverlenging moet worden aangesloten bij het vertragende procesgedrag en als dit niet precies valt te bepalen, dan mag de rechter de termijnverlenging schatten. De termijnverlenging hoeft niet in zijn geheel achterwege te blijven als de rechter nalaat regie te voeren op het specifieke procesgedrag van de gemachtigde.

De Hoge Raad oordeelt verder dat, indien vaststaat dat vertraging in het proces is veroorzaakt door capaciteitsgebrek bij de gemachtigde, die omstandigheid is aan te merken als een bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt.

De kern van dit arrest is dat bij het vaststellen van de redelijke termijn een beoordeling op het niveau van de individuele zaak moet plaatsvinden. Als de zitting niet kan worden ingepland vanwege herhaaldelijke verhinderingen van de gemachtigde, vormt dit een bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. Wat kan leiden tot het oordeel dat geen immateriële schadevergoeding wordt toegekend.

Bekijk hier het volledige arrest

ARRESTEN HOGE RAAD

Beleggingsbegrip van art. 20a Wet Vpb: woningverhuur is geen uitzondering

Belanghebbende in dit arrest is een naamloze vennootschap die activiteiten exploiteert rondom de bevordering van volkshuisvesting en het beheer van onroerende zaken. Tot 8 juli 2016 was het volledige aandelenbelang in belanghebbende in bezit van een stichting (een woningcorporatie). Onder belanghebbende hingen twee dochtermaatschappijen. Samen vormden zij een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Op 8 juli 2016 heeft de stichting de meerderheid van de aandelen in belanghebbende verkocht. Vanaf dat moment vormde belanghebbende een nieuwe fiscale eenheid tezamen met haar twee dochters.

Belanghebbende heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting voor 2016 verliezen verrekend met belastbare winst, hetgeen resulteerde in een belastbaar bedrag van nihil. In de aanslag heeft de inspecteur geen verliesverrekening toegestaan onder verwijzing naar art. 20a lid 4 lid 8 aanhef en onderdeel a Wet Vpb.

Met toestemming van de staatssecretaris heeft belanghebbende sprongcassatie ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. De rechtbank oordeelde dat de aan derden verhuurde onroerende zaken op grond van art. 20a lid 8 aanhef en onderdeel a Wet Vpb als beleggingen gelden, waardoor de verliezen niet verrekenbaar zijn. In geschil is aldus of langdurig aan derden verhuurde woningen kwalificeren als beleggingen in de zin van lid 8 onderdeel a van dat artikel.

Belanghebbende stelde dat uit een brief van 9 februari 2001 van de staatssecretaris zou volgen dat voor de toepassing van lid 8 onderdeel a een minder strikt standpunt wordt ingenomen ingeval de verhuur van vastgoed kan worden aangemerkt als normale zakelijke exploitatie in het kader van de onderneming. De Hoge Raad verwerpt dit middel van belanghebbende. Uit de brief van de staatssecretaris van 9 februari 2001 volgt dat het minder strikte standpunt uitsluitend ziet op min of meer kortstondige dienstverlening, zoals hotels en recreatieve exploitatie, en niet op reguliere langjarige verhuur.

Voor een woningcorporatie wordt geen uitzondering gemaakt. De integrale belastingplicht voor woningcorporaties beoogde juist een gelijk speelveld met commerciële vastgoedpartijen, voor wie dezelfde bepaling eveneens geldt. Hierbij merkt de Hoge Raad nog op dat belanghebbende weliswaar een taak op het gebied van de volkshuisvesting vervult, maar geen woningcorporatie is. Het beroep op strijd met een fundamenteel rechtsbeginsel faalt eveneens, onder verwijzing naar onderdeel 5.17 van de conclusie van A-G Wattel.

Bekijk hier het volledige arrest

CONCLUSIE

Conclusie A-G Pauwels brengt geen soelaas voor massaalbezwaar-plus

Op 8 mei heeft A-G Pauwels conclusie genomen in twee van de vier proefprocedures in de massaalbezwaar-plusprocedure over box 3. De procedures gaan over de vraag of niet-bezwaarmakers in aanmerking kunnen komen voor vermindering van aanslagen IB/PVV voor de jaren 2017-2021.

De A-G concludeert dat de inspecteur zich mag beroepen op de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering van artikel 45aa(b) URIB 2001 als hij op het moment van onherroepelijk worden redelijkerwijs mocht menen dat zijn opvatting juist was. Voorafgaand aan het Kerstarrest was dat, volgens de A-G, het geval. Voorts concludeert de A-G dat deze uitzondering de exceptieve toetsing aan het evenredigheidsbeginsel doorstaat. Die toetsing dient terughoudend te gebeuren, omdat de keuze tot ambtshalve vermindering bij uitstek een politiek-bestuurlijke is. Ook de toets van artikel 13 EVRM en artikel 1 EP EVRM brengt volgens de A-G geen soelaas. Niet-bezwaarmakers hadden bezwaar kunnen maken en het stellen van een redelijke termijn voor een effectief rechtsmiddel is toegestaan.

Op meerdere punten roept de conclusie vragen op. De A-G erkent dat het zelf zoeken naar een belangenafweging – bij gebrek aan onderbouwing door de staatssecretaris – wringt met HR BNB 2026/6, maar acht dit wenselijk in het kader van de rechtseenheid. Deze benadering knelt echter met het rechtszekerheidsbeginsel. Als de belastingrechter ambtshalve de hiaten in de argumentatie van het bestuursorgaan gaat vullen, brengt dit de belastingplichtige in een onevenwichtige procespositie. Bovendien rijst de vraag of de bezwaartermijn wel zo redelijk was als de communicatie over de noodzaak van individueel bezwaar ronduit gebrekkig was.

De Hoge Raad zou die gebrekkige communicatie over de wijziging in de massaalbezwaarprocedure, waardoor individueel bezwaar moest worden gemaakt, kunnen betrekken in de belangenafweging. Saillant blijft dat met de nieuwe massaalbezwaarprocedure juist werd beoogd de rechtsbescherming te verbeteren. De Hoge Raad zou die rechtsbescherming in dit specifieke geval zonder precedentwerking kunnen bieden, nu inmiddels duidelijk is dat individueel bezwaar moet worden gemaakt. De A-G lijkt daarvoor niet ontvankelijk. Hij schrijft dat hij zich goed kan voorstellen dat niet-bezwaarmakers het resultaat als onredelijk en onrechtvaardig beschouwen, maar dat de rechter dient te oordelen of is gehandeld binnen het wettelijk kader. In HB #454 gaan wij uitgebreider in op de conclusie van A-G Pauwels.

Bekijk hier de volledige conclusie

Ook interessant...