Al langere tijd pleiten wij voor de inzet van mediation in fiscale (straf)zaken.[1] De rode draad in die bijdragen is steeds dezelfde: mediation verdient ook in fiscale procedures en fiscale strafzaken een serieuze plaats als afdoeningsmodaliteit. Mediation biedt namelijk ruimte voor herstel, duurzame oplossingen en heeft oog voor de toekomstige verhouding tussen partijen. Toch wordt die mogelijkheid in de praktijk nog te weinig benut.
Het wetsvoorstel als aanjager
Voor het beter benutten van mediation zijn de recente ontwikkelingen in het straf(proces)recht relevant. In de consultatieversie van de tweede aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering en de bijbehorende Memorie van Toelichting wordt de regeling van herstelrecht, waaronder mediation, verder uitgewerkt naar aanleiding van de positieve evaluatie van de Innovatiewet Strafvordering. Uit die evaluatie blijkt dat mediation in strafzaken op zichzelf op waardering in de praktijk kan rekenen, maar ook dat het instrument nog vaker kan worden ingezet dan nu gebeurt.[2] Tegen die achtergrond wordt mediation in het wetsvoorstel als algemene voorziening gepositioneerd en nadrukkelijker en op meerdere momenten in het strafproces verankerd.
De officier van justitie en de rechter kunnen de zaak ambtshalve of op verzoek van de verdachte of het slachtoffer verwijzen ten behoeve van mediation. Dat kan zowel tijdens het opsporingsonderzoek, dus voorafgaand aan de vervolgingsbeslissing, als na aanvang van het onderzoek op de terechtzitting. Bovendien kan niet alleen de rechtbank, maar ook de officier van justitie na een geslaagde mediation verklaren dat het onderzoek is geëindigd. Daarmee wordt mediation nadrukkelijker als zelfstandige afdoeningsmogelijkheid binnen het strafproces gepositioneerd.
Interessant daarbij is dat aan een verklaring dat het onderzoek is geëindigd, voorwaarden kunnen worden gesteld, zoals een gebiedsverbod of vergoeding van de veroorzaakte schade.
Daarnaast wordt in de regeling verduidelijkt welke betekenis herstelafspraken in het eindvonnis moeten krijgen. Als in het kader van mediation afspraken voor herstel tot stand zijn gekomen, maar de rechtbank geen einde-onderzoekverklaring geeft en dus inhoudelijk vonnis wijst, moet dat vonnis er in het bijzonder rekenschap van geven in hoeverre bij het bepalen van een straf of maatregel met die afspraken rekening is gehouden. De betekenis van mediation moet dus zichtbaar terugkomen in de motivering van de rechterlijke beslissing.
Kansen voor fiscale strafzaken
Ook voor fiscale strafzaken is deze ontwikkeling wat mij betreft relevant. In onze eerdere bijdrage over mediation in fiscale strafzaken wezen wij er al op dat het slachtofferbegrip in het strafproces niet beperkt is tot natuurlijke personen, maar ook de rechtspersoon omvat die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. Daarmee komt ook de Belastingdienst in fiscale strafzaken als benadeelde partij en dus als ‘slachtoffer’ in beeld.
Juist in dat type zaken kan mediation meer zijn dan een instrument om het verleden af te wikkelen. De consultatieversie van de tweede aanvullingswet maakt het mogelijk dat aan een verklaring dat het onderzoek is geëindigd voorwaarden kunnen worden verbonden en dat toezicht op de naleving daarvan kan worden georganiseerd. De memorie van toelichting benadrukt bovendien dat de officier van justitie na een geslaagde mediation zelf kan verklaren dat het onderzoek is geëindigd, juist om te voorkomen dat een zaak onnodig nog ter berechting moet worden aangebracht wanneer partijen al tot een oplossing zijn gekomen.
Dat biedt ook in fiscale strafzaken perspectief. Waar de Belastingdienst en de belastingplichtige vaak ook in de toekomst nog met elkaar te maken hebben, kan mediation ruimte bieden voor afspraken die niet alleen zien op herstel van geleden schade, maar ook op de wijze waarop het vertrouwen tussen partijen kan worden hersteld en compliance voor de toekomst kan worden gewaarborgd.
Bevordering van de inzet van mediation
De positionering van mediation in het nieuwe Wetboek van Strafvordering is duidelijk ingegeven door het streven om de inzet ervan in strafzaken te bevorderen. Dat sluit aan bij de evaluatie van de Innovatiewet Strafvordering, waaruit blijkt dat professionals overwegend positief zijn over de ontwikkelde werkwijzen voor toepassing van mediation in de strafrechtpraktijk, maar ook dat er nog stappen kunnen worden gezet om de toegang te verbeteren. Dat leidt tot de conclusie dat er sprake is van een groot onbenut potentieel aan zaken waarin slachtoffers en verdachten gebaat kunnen zijn bij mediation.[3]
Datzelfde beeld herkennen wij in fiscale zaken. Ook daar zijn de mogelijkheden van mediation aanwezig, maar wordt het instrument nog te weinig benut door – in mijn optiek – onvoldoende toegankelijkheid. In De overheid als terughoudende procespartij hebben wij daarom bepleit dat procederen door de overheid een weloverwogen keuze moet zijn en dat alternatieve geschilbeslechting een volwaardig spoor verdient. Daarbij wezen wij, mede onder verwijzing naar het onderzoeksrapport ‘Rechtsbescherming in het geding’ van de Inspectie Belastingen Toeslagen en Douane (IBTD), erop dat alternatieve geschilbeslechting te weinig aandacht krijgt.
Juist daarom is wat mij betreft de verdere verankering van mediation in regelgeving toe te juichen. Niet alleen omdat zij de toegankelijkheid van het instrument kan verbeteren, maar ook omdat zij bevordert dat de keuze om mediation wel of niet in te zetten, explicieter en zorgvuldiger wordt gemaakt. In het strafrecht wordt die stap nu gezet. Ook in fiscale zaken zou een explicietere vastlegging in de wet wel eens de sleutel naar succes kunnen zijn!
Heeft u vragen over mediation in fiscale (straf)zaken? Neem vooral contact op.
[1] R. Vos en D.C. Molenaars, Mediation in fiscale strafzaken, TBS&H 2020, nr 2.; R. Vos en D.C. Molenaars, ‘Ontwikkelingen op het gebied van mediation in fiscale strafzaken’, TBS&H 2022, nr 1.; #262 Mediation in fiscale straf- en fraudezaken: ‘believe it or not, it is there’; R. Vos en D.C. Molenaars, “Een goed gesprek met de fiscus” over fiscale mediation, Salaris Rendement 4-2023; D.C. Molenaars en R. Vos, ‘De overheid als terughoudende procespartij’, TFB
[2] WODC rapport Plan- en procesevaluatie Mediation in Strafzaken, Cahier 2024-7.
[3] WODC rapport Plan- en procesevaluatie Mediation in Strafzaken, Cahier 2024-7.