Marion Kors (thans Specialistisch adviseur fiscaal recht bij het Functioneel Parket, voorheen (o.m.) advocaat en belastingadviseur) heeft een artikel over dividendstripping geschreven in TFB. Het artikel is “op persoonlijke titel” geschreven. In de aanhef schrijft de auteur: “Afhankelijk van wie je het vraagt, wordt het dividendstrippen betiteld als legaal of als fraude.” Op die vraag zal in een derde artikel worden ingegaan (een heus drieluik).
Wat mij betreft hangt het antwoord op deze vraag af van de feiten. Dividendstripping is als zodanig niet strafbaar. Dat wordt het pas als het opzet van de dividendstripper op het doen van een onjuiste aangifte is gericht. Als die zaken strafrechtelijk worden aangepakt, dan is daarmee op zich niets mis. Van het Openbaar Ministerie mag dan worden verwacht dat het al bij het selecteren van zaken scherp onderscheid maakt tussen belastingontwijking (waar strafrechtelijk niets mis mee is) en belastingontduiking.
Kors gaat ook in op de wetswijziging van 2024, waarin o.a. de woorden “in ieder geval” zijn toegevoegd aan artikel 25, lid 2 van de Wet Vpb 1969. Volgens de auteur zou daarmee de benadering van het hof Amsterdam (de wettelijke uitzonderingen zijn niet limitatief geregeld) weer mogelijk moeten zijn. Ook dat is nog maar de vraag. De woorden “in ieder geval” kwamen namelijk ook al voor in de totstandkomingsgeschiedenis van de oude wet. En desondanks oordeelde de Hoge Raad dat de uitzonderingen wel een uitputtende regeling bevatten.
Kors eindigt de passage die hierop betrekking heeft met de woorden: “De tijd zal het leren …” Die drie puntjes spreken boekdelen. Bij een wet die (nog steeds) zo onduidelijk is, past het Openbaar Ministerie terughoudendheid.