Overlap tussen een strafrechtelijke procedure en een fiscale procedure komt regelmatig voor. Wanneer moet de strafrechter rekening houden met een fiscale procedure? Bart van Beek gaat hier verder op in aan de hand van een recent arrest van het hof Den Bosch en een fiscale fraudezaak.
Lees hier alvast een voorproefje:
In fiscale fraudezaken lopen de strafrechtelijke procedure en de fiscale procedure vaak naast elkaar. De procedures kennen doorgaans een zekere overlap; als initieel het juiste bedrag aan belasting is geheven, impliceert dat ook dat er geen onjuiste aangifte is gedaan. Het ligt in de rede dat de strafrechter voor de beoordeling van dergelijke fiscaalinhoudelijke vraagstukken rekening houdt met de fiscale procedure. Dit blijkt ook uit een recent arrest van het hof Den Bosch.
In deze fiscale fraudezaak speelt het volgende. Verdachte houdt via een persoonlijke holdingmaatschappij de aandelen in een BV die in de jaren 2010 tot en met 2015 managementfees aan de holdingmaatschappij betaalt. Het verwijt dat verdachte wordt gemaakt is dat deze betalingen echter zijn gedaan op basis van de arbeidsovereenkomst tussen verdachte en de BV en dat de juridische structuur ten aanzien van de managementfees illegaal is. Verder wordt verdachte verweten dat hij voor de jaren 2012 tot en met 2014 onterecht premies arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV-premies) in aftrek heeft gebracht in box 1. De vraag is of de AOV-premies op de belastingplichtige ‘drukken’. In de fiscale procedure zijn aan verdachte voor de jaren 2010 tot en met 2015 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd, waartegen verdachte bezwaar heeft gemaakt.
In de fiscale bezwaarprocedure heeft de inspecteur het standpunt erkend dat de managementfees zijn betaald op basis van een rechtsgeldige managementovereenkomst. De inspecteur erkent daarmee eveneens de realiteit van de rol van de holdingmaatschappij. Deze reactie op het bezwaarschrift heeft de inspecteur in een brief kenbaar gemaakt, een brief die door de officier van justitie in eerste aanleg al is overgelegd aan de rechtbank. De rechtbank heeft het standpunt van de inspecteur terzijde geschoven, maar het hof besteedt hier terecht aandacht aan. Het hof overweegt dan ook dat daarmee de strafrechtelijke grond van hetgeen verdachte wordt verweten komt te vervallen. Immers zijn de aangiften inkomstenbelasting in zoverre niet onjuist of onvolledig gedaan. Ten aanzien van dit feit spreekt het hof verdachte dan ook vrij.