Een nieuw hoofdstuk in de Wet-DBA-Uber-saga. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 27 januari jl. namelijk geoordeeld dat zes chauffeurs die voor Uber werken dat niet doen op basis van een arbeidsovereenkomst.[1]
Het Hof benoemt een aantal aspecten van ondernemerschap en oordeelt dat die zo zwaar wegen dat die tot de conclusie leiden dat de chauffeurs ondernemer zijn. Zij zijn volgens het Hof niet in dienstbetrekking, maar zelfstandig ondernemer. Het Hof oordeelt ook dat niet is bewezen dat een groep of groepen chauffeurs wel in dienstbetrekking werkzaam zijn. Waar de rechtbank Amsterdam het gelijk in eerste aanleg nog aan vakbond FNV gaf, kiest het Hof dus voor een andere benadering, of beter gezegd: een andere uitkomst. Wat betekent dit voor de praktijk in het zelfstandigenlandschap, met ook een schuin oog gericht op de fiscaliteit? Welke aspecten acht het Hof relevant bij zijn oordeel dat sprake is van zelfstandigheid?
Verder lezen? Voor Flexmarkt schreef Angelique Perdeams een blog hierover, lees hier verder.
[1] Hof Amsterdam 27 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:163.