Op 16 september 2025 heeft advocaat-generaal Spronken een belangrijke conclusie genomen in een strafzaak waarin de verdachte was veroordeeld voor witwassen op basis van onder meer herkenningen door politieverbalisanten. [1] In deze zaak had de verdediging pas bij pleidooi in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan om deze verbalisanten als getuigen te horen, voor het geval het hof hun verklaringen voor het bewijs zou willen gebruiken. Het hof wees dit verzoek af, vooral omdat het in een laat stadium was gedaan en het belang van een voortvarende procesgang zou moeten prevaleren. De advocaat-generaal concludeert echter dat deze motivering onvoldoende was. Het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM, brengt mee dat het horen van belastende getuigen niet mag worden geweigerd enkel vanwege het tijdstip van het verzoek.
De conclusie benadrukt de rol van de advocaat in het strafproces: gebruikmaken van processuele rechten is geen “zand in de raderen strooien”, maar een legitiem onderdeel van de verdediging. Het niet oproepen van getuigen door de verdediging is op zichzelf geen obstructie.
Daarbij is het van belang om te benadrukken dat het opsporingsonderzoek primair tot de taak van het OM behoort. Het OM dient zowel belastend als ontlastend materiaal te verzamelen en het onderzoek volledig uit te voeren. De advocaat is belast met het voeren van de best mogelijke, partijdige verdediging, met een helder primair standpunt over het bewijs. Het is in beginsel niet de taak van de verdediging om het opsporingsonderzoek te completeren. Dat de verdediging niet direct getuigen opvraagt, kan logisch voortvloeien uit deze rolverdeling.
Pas indien de rechter aangeeft belastend bewijs te willen gebruiken, kan het horen van getuigen voor de verdediging noodzakelijk worden. Dat is geen obstructie, maar een uitvloeisel van het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM).
De rolverdeling tussen OM en verdediging is helder: het OM is primair verantwoordelijk voor het opsporingsonderzoek, het verzamelen van bewijs en het selecteren van te horen getuigen. De advocaat vertegenwoordigt de belangen van de verdachte en toetst kritisch het door het OM aangeleverde dossier. De verdediging is niet gehouden lacunes in het bewijs te dichten. De verdediging kan ervoor kiezen te wijzen op onvolkomenheden en, waar passend, vrijspraak bepleiten omdat het dossier onvoldoende of onbetrouwbaar is.
Voorwaardelijke getuigenverzoeken passen daarbij: slechts als de rechter voornemens is belastende verklaringen voor het bewijs te hanteren, ontstaat voor de verdediging de noodzaak om de betreffende getuigen te ondervragen. Dit kan overigens ook een efficiëntieslag betekenen, omdat daarmee wordt voorkomen dat onnodige getuigen worden gehoord.
Dit laat onverlet dat het vooronderzoek van groot belang is om getuigenverzoeken te doen. In veel zaken kan het voor de verdediging juist zinvol zijn om getuigen al bij de rechter-commissaris te horen om een ander licht op de feiten te werpen en zo onnodige zittingsbelastingen te voorkomen. In dat kader wordt beoordeeld of een zaak zittingsrijp is of anders moet worden afgedaan.
Het is een keuze van de verdediging, elke zaak verlangt een individuele strategische belangenafweging.
Het innemen van een helder, primair standpunt door de verdediging voorkomt dat zij wordt meegezogen in tijdrovende nevenonderzoeken die primair tot de verantwoordelijkheid van het OM behoren. Het zuiver houden van de rollen bevordert een efficiënte procedure en waarborgt de rechten van de verdachte. Indien de rechter het bewijs anders waardeert, biedt een voorwaardelijk getuigenverzoek een wettig, proportioneel en effectief instrument om alsnog de noodzakelijke waarborgen te realiseren.
Uiteraard vraagt een dergelijk verzoek om bepaalde motiveringseisen. En in zoverre kan de kans groter zijn dat het betreffende verzoek wordt afgewezen. Dit is een keuze die door de verdediging wordt gemaakt.
Het strategisch inzetten van procesrechten, waaronder (voorwaardelijke) getuigenverzoeken, is dus geen misbruik van procesrecht. De verdediging hoeft geen verantwoording af te leggen over de gekozen processtrategie, zolang deze binnen de wettelijke kaders blijft. Het te snel kwalificeren van verdedigingshandelingen als obstructie schaadt de rechtsstaat en doet geen recht aan de rol van de advocaat. Begrip voor elkaars rol is geboden; “steken onder water” passen daar niet bij. Elke zaak kent zijn eigen belangen, de advocaat heeft er daarin maar één: die van zijn cliënt. Alleen zo is een eerlijk proces gewaarborgd.
Heeft u vragen of wilt u sparren over dit onderwerp? Neem dan contact op met een van onze experts. Wij helpen u graag verder.
[1] ECLI:NL:PHR:2025:997, Parket bij de Hoge Raad, 24/03117

