In deze rubriek bespreken wij een selectie van uitspraken van de Hoge Raad en feitenrechters. Belangrijke discussiepunten blijken ontneming en fiscaliteit, de lex specialis bepaling van artikel 69 lid 4 AWR, straftoemeting in fiscale strafzaken, samenloop van witwassen en inkeer en last but not least het ne bis in idem-beginsel.
Lees hier alvast een voorproefje:
Herhaaldelijk is in deze rubriek aandacht geschonken aan de reikwijdte van artikel 74 AWR waarin is bepaald dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet mogelijk is ter zake van fiscale delicten. De achterliggende gedachte van deze uitzondering is dat het instrumentarium waarover de Belastingdienst beschikt voldoende mogelijkheden biedt om het door het fiscale delict veroorzaakte belastingnadeel weg te nemen.
In de zaak die leidde tot deze beslissing van de Hoge Raad had een belastingadviseur voor zijn klanten aangiften inkomstenbelasting gedaan. Uit de afhandeling van de hoofdzaak bleek dat een deel van die aangiften opzettelijk onjuist waren gedaan en dat er bij die aangiften tevens sprake was van valsheid in geschrift.
De feiten waren gekwalificeerd als eendaadse samenloop van artikel 69 AWR en artikel 225 lid 1 Sr. Ook was een bewezenverklaring gevolgd voor het opzettelijk in valse vorm voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, ertoe strekkende dat te weinig belasting werd geheven (artikel 68 lid 1, onderdeel c, AWR). De ontnemingsvordering, die naar aanleiding van deze beslissing in de hoofdzaak was ingediend, zag op het door de belastingadviseur genoten voordeel door de betalingen van zijn klanten van
meer dan € 80.000,- voor het opmaken van de valse geschriften en het doen van onjuiste aangiften, welke vordering door het hof was toegewezen.
Hiertegen richtte zich het cassatieberoep. De Hoge Raad overwoog – in navolging van zijn advocaat-generaal – dat het hof terecht heeft geoordeeld dat artikel 74 AWR niet aan ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de weg staat, omdat de belastingadviseur zich niet alleen aan een fiscaal delict, maar ook aan ‘valsheid in geschrift’ schuldig heeft gemaakt. Hierbij had het hof eveneens terecht heeft overwogen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de belastingadviseur correspondeert met de opbrengst van de door hem voor zijn diensten in rekening gebrachte prijs en niet met het belastingnadeel.
Deze beslissing maakt opnieuw duidelijk dat wanneer het openbaar ministerie ervoor kiest om naast fiscale delicten ook commune delicten op de tenlastelegging te plaatsen, er al snel een kapstok ontstaat waaraan de ontnemingsvordering kan worden opgehangen. Op een hoger juridisch abstractie niveau valt deze beslissing goed te begrijpen. Immers, de Belastingdienst beschikt in een dergelijke situatie niet over mogelijkheden om bij de frauderende belastingadviseur het voordeel te ontnemen en ‘herstel’ kan dan alleen nog via het strafrecht plaatsvinden.
Maar los van de juridische verdedigbaarheid van deze beslissing, blijft dit oordeel gelet op de tekst van artikel 74 AWR voor een buitenstaander waarschijnlijk moeilijk te begrijpen omdat het voordeel dat is ontnomen juist is verkregen door van de onjuiste aangiften gebruik te maken.