Met pakjesavond voor de deur lijken er grootse ontwikkelingen in het fiscale inzagerecht te komen, maar wie goed kijkt, ziet dat de schoen verrassend leeg blijft. In de Hertoghs Beschouwt #340 schreven wij al over de verruiming van het inzagerecht zoals voorgesteld in het amendement van het lid Omtzigt c.s. dat bij de behandeling van het Belastingplan 2024 werd aangenomen.[1] De kern: dat elke belastingplichtige uiterlijk in 2026, recht moest krijgen op inzage in zijn eigen fiscale dossier.
Het amendement beoogde met het voorstel voor een verruiming van het fiscaal inzagerecht de rechtsbescherming van burgers en bedrijven te versterken door openheid en transparantie, zodat zij kunnen zien welke informatie de fiscus over hen heeft en op welke gronden belastingaanslagen of controlebesluiten zijn gebaseerd.
Het wetsvoorstel, Wet stroomlijning fiscaal inzagerecht, is op 27 november 2025 met algemene stemmen aangenomen door de Tweede Kamer. Het nieuwe artikel 66a Algemene Wet Rijksbelastingen (AWR) bepaalt dat de inspecteur de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige beschikbaar stelt via een digitaal portaal – Mijn Belastingdienst – uiterlijk bij de bekendmaking van een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking.
Dat lijkt op het eerste gezicht een mooie ontwikkeling, maar zoals door Jan van de Streek en Tim van Brederode afgelopen week in het FD terecht wordt geconcludeerd, wordt feitelijk het recht van belastingplichtige om zijn eigen fiscale dossier in te zien fors uitgekleed ten opzichte van het oorspronkelijke amendement.
Oorspronkelijke amendement fiscaal inzagerecht
Het oorspronkelijk amendement zoals ingediend door Omtzigt op 26 oktober 2023 (36418, nr. 110) beoogde een nieuw artikel 66a AWR in te voeren. Dat nieuwe artikel 66a AWR zou de belastingplichtige een recht geven om inzage in zijn volledige fiscale dossier te krijgen. Niet enkel de op een zaak betrekking hebbende stukken, maar alle stukken in het dossier. Ook was in het amendement een zelfstandige bezwaar- en beroepsmogelijkheid tegen een beslissing op zo’n verzoek om inzage opgenomen. Beide zouden met ingang van 31 december 2025 in werking treden.
Een belangrijke ontwikkeling gelet op de behoefte aan adequate rechtsbescherming van burgers en bedrijven tegen het handelen van de fiscus, ingegeven door onder meer de kinderopvangtoeslagaffaire, het etnisch profileren en de FSV. Bedoeld om erachter te kunnen komen of de Belastingdienst een grondrecht heeft geschonden, zoals het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging.[2]
In een uitvoeringsanalyse is de impact van de invoering van artikel 66a van de Algemene Wet Rijksbelastingen (AWR), zoals voorgesteld in het amendement Omtzigt getoetst. De conclusie van deze uitvoeringsanalyse is dat het recht op inzage in het eigen fiscale dossier op basis van artikel 66a van de AWR in haar huidige vorm en met de inwerkingtredingsdatum van 31 december 2025 niet uitvoerbaar is doordat de informatiehuishouding bij de Belastingdienst nog niet op orde is. Ook speelt mee dat het nu nog handmatig werk is om de dossiers te verzamelen en omdat het amendement geen begrenzing in het aantal aanvragers kent.
Artikel 66a AWR
Dat heeft geleid tot artikel 66a AWR in aangepaste vorm, zoals deze week aangenomen door de Tweede Kamer. Het nieuwe artikel 66a AWR moet per 31 december 2025 ingaan en geeft geen recht op inzage in het volledige fiscale dossier, maar slechts in de op de zaak betrekking hebbende stukken, uiterlijk bij de bekendmaking van een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking. De inzage zal plaatsvinden via een digitaal portaal. Belastingplichtigen krijgen automatisch toegang tot de relevante stukken via het digitale portaal van de Belastingdienst of Douane, zonder dat zij daarvoor eerst een verzoek hoeven in te dienen.
Artikel 66a AWR komt naar mijn idee niet tegemoet aan het doel om adequate rechtsbescherming te bieden aan burgers en bedrijven door hun volledige dossier in te zien, maar lijkt een aanvulling op het bestaande inzagerecht in bezwaar en beroep.
Artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht de Belastingdienst om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechter toe te zenden. Artikel 8:42 Awb geldt dus in het geval van een beroepsprocedure. Ook voor de fase daaraan voorafgaand, de bezwaarfase, geldt dat de Belastingdienst op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage dient te leggen.
Weliswaar is artikel 66a AWR ruimer dan het huidige inzagerecht, nu de inzage voorafgaand aan de aanslag of beschikking wordt geboden. Het is nog steeds beperkt tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarbij wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de uitleg die de rechter daaraan geeft zo volgt uit de Memorie van Toelichting. Verschil is dat er nog geen geschil is, dus gaat het om de stukken die bij het opleggen van een aanslag zijn gebruikt. Uit de Memorie van Toelichting volgt echter ook dat niet beoogd is om méér stukken beschikbaar te stellen dan op basis van de uitleg in de rechtspraak.
De definitie “eigen fiscaal dossier” in het oorspronkelijke amendement is breder dan de op de zaak betrekking hebbende stukken in een bezwaarprocedure. Belastingaanslagen, gespreksverslagen (van bijvoorbeeld een hoorgesprek), boekenonderzoeken, uitwisselingen van fiscale gegevens met andere landen of instanties, maar ook gegevens die zijn opgeslagen in IT-systemen voor fraudeopsporing/risico-signalering behoren tot het fiscale dossier volgens het oorspronkelijke amendement.
Onderscheid tussen het eigen fiscale dossier en op de zaak betrekking hebbende stukken
De op de zaak betrekking hebbende stukken zijn de stukken relevant voor de beoordeling van een specifiek geschil of in dit geval, een specifieke aanslag of beschikking. Dat is uitdrukkelijk anders dan het ‘eigen fiscale dossier’. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besteedde recent, in de uitspraak van 5 november 2025, aandacht aan dat onderscheid:
“Een ‘belastingdossier’ zoals aanwezig is bij de Belastingdienst en de op een specifieke fiscale rechtszaak betrekking hebbende stukken, zijn twee verschillende zaken. Op de inspecteur rust ingevolge artikel 8:42 van de Awb de verplichting om de stukken te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten in die specifieke zaak.3 Dat betekent dus dat op de inspecteur geen verplichting rust om, kort gezegd, alle stukken waar belanghebbende om verzoekt in de verschillende Woo-verzoeken, ook in deze fiscale procedure te verstrekken. Dat is pas het geval wanneer die stukken van belang zouden kunnen zijn voor de beslechting van de voorliggende geschilpunten en dat ziet de rechtbank niet.”[3]
Ontbreken van bezwaar- of beroepsmogelijkheden
Daarnaast staat er geen zelfstandige bezwaar- of beroepsmogelijkheid open bij inzage op grond van artikel 66a AWR. Er is in die fase (nog) geen procedure aanhangig nu het de aanslagfase betreft. Dat roept de vraag op wat een belastingplichtige kan doen op het moment dat er stukken ontbreken in het digitale portaal.
Het ontbreken van stukken is geen ondenkbaar scenario. Mijn ervaring is dat de Belastingdienst terughoudend is met het verstrekken van op de zaak betrekking hebbende stukken. Die ervaring is bevestigd in het recente rapport van de Inspectie Belastingen Toeslagen en Douane (Inspectie BTD), waarover wij schreven in Hertoghs Beschouwt #420.
De Inspectie BTD constateert dat een groot verschil in interpretatie bestaat bij de toepassing en reikwijdte van artikel 8:42 Awb (de verplichting voor het bestuursorgaan om alle op de zaak betrekking hebbende stukken toe te sturen aan de bestuursrechter). Ook een gebrekkige informatiehuishouding en dossiervorming, waardoor stukken niet worden vastgelegd of teruggevonden, leidt ertoe dat artikel 8:42 Awb in vier van de vijf onderzochte casussen werd geschonden en belanghebbenden in een ongelijkwaardige informatiepositie kwamen te staan.
Artikel 66a AWR, zoals aangenomen door de Tweede Kamer, gaat geen verandering brengen in de interpretatieverschillen en onduidelijkheden over de reikwijdte van het begrip ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’. Dat de informatiehuishouding en dossiervorming bij de Belastingdienst niet op orde is, wordt hiermee ook niet opgelost.
Het ontbreken van zelfstandige bezwaar- of beroepsmogelijkheden bij inzage op grond van artikel 66a AWR, biedt de belastingplichtige geen rechtsbescherming en leidt ertoe dat belastingplichtigen pas op kunnen komen tegen het ontbreken van stukken in bezwaar of beroep tegen de aanslag of beschikking. Ook kan het in de hand werken dat belastingplichtigen gedwongen zijn om bezwaar te maken doordat er stukken ontbreken.
Tot slot
Er is behoefte aan het doorbreken van het gebrek aan rechtsbescherming. Het initieel voorgestelde inzagerecht in het eigen dossier vormt een belangrijk instrument voor belastingplichtigen om te achterhalen welke informatie over hen is verzameld.
Artikel 66a AWR in de door de Tweede Kamer aangenomen vorm, brengt daar geen verandering in. De aanpassing die het inzagerecht uitvoerbaar moet maken wordt voornamelijk gepresenteerd als de overstap van een inzagerecht op verzoek (passief recht) naar een actief inzagerecht. De aanpassing is groter dan dat en wijkt fors af van het doel. Als de vrees zit in het aantal verzoeken om inzage in het eigen fiscale dossier, lijkt het mij niet juist om het recht op inzage in te perken tot enkel de op de zaak betrekking hebbende stukken.
Het is afwachten hoe de behandeling de komende maand door de Eerste Kamer uitpakt, maar als je het mij vraagt, zou een actief inzagerecht in het eigen fiscale dossier voor iedere belastingplichtige de route moeten zijn, de Sint vult immers de schoen van iedereen!
[1] Kamerstukken II, 2023/24, 36418, nr. 110.
[2] Kamerstukken II, 2023/24, 36418, nr. 110.
[3] Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7567 r.o. 5.3.