Skip to content

#461 Fiscale kwalificatie cruciaal in strafzaak

10 August 2026

In fiscale strafzaken speelt regelmatig de vraag bij wie inkomsten fiscaal in aanmerking moeten worden genomen: bij de onderneming of bij de persoon achter die onderneming. In het arrest van 7 juli 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1185) maakt de strafkamer van de Hoge Raad duidelijk dat de fiscale, juridische werkelijkheid dient te worden gerespecteerd. Het enkele feit dat een belastingplichtige de volledige zeggenschap heeft over een vennootschap betekent nog niet dat inkomsten die door die vennootschap zijn genoten, automatisch ook als privé-inkomen van diezelfde persoon kunnen worden aangemerkt. Het arrest onderstreept het belang van een zorgvuldige fiscale kwalificatie, voordat kan worden geoordeeld dat aangiften opzettelijk onjuist zijn gedaan.

Waar ging de zaak over?

In deze zaak werkte de verdachte als consultant op het gebied van arbeids- en procesveiligheid en was hij betrokken bij verschillende rechtspersonen. Wat begon als een fiscale discussie, mondde uiteindelijk uit in een strafzaak.

In dit arrest staat de strafrechtelijke vervolging wegens het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangiften inkomstenbelasting én vennootschapsbelasting centraal. De verdachte verrichtte consultancywerkzaamheden via een commanditaire vennootschap (cv) en een besloten vennootschap (bv). De vergoedingen voor die werkzaamheden werden door opdrachtgevers aan deze entiteiten betaald.

Het hof oordeelde dat de ontvangen bedragen volledig als winst bij de cv en de bv in aanmerking moeten worden genomen. Tegelijkertijd nam het hof diezelfde bedragen ook in aanmerking bij de verdachte in privé voor de inkomstenbelasting. Volgens het hof lagen zowel de zeggenschap als het economisch belang bij de verdachte, zodat het hof daarmee de vennootschappelijke structuur in wezen negeerde. Dit terwijl er wel vennootschapsbelasting in aanmerking zou moeten worden genomen bij de vennootschappen. Volgens A-G Wattel een onbegrijpelijk en onjuist oordeel: een structuur is fiscaal wel of niet transparant, maar niet beide tegelijk. Verdachte werd dus door het hof fiscaalrechtelijk gezien als economisch eigenaar. Op die grond heeft het hof de inkomsten voor de consultancywerkzaamheden, verworven door de vennootschappen, fiscaal betrokken in de inkomstensfeer van de persoon achter de onderneming, te weten verdachte.

De advocaat-generaal (A-G) had zich in zijn conclusie al zeer kritisch uitgelaten over deze Hofuitspraak.1 De A-G concludeerde dat een bv niet zomaar fiscaalrechtelijk kan worden weggedacht. Wanneer in een fiscale strafzaak wordt voorbijgegaan aan de zelfstandige positie van een rechtspersoon, moet nauwkeurig worden gemotiveerd op welke rechtsgrond dat gebeurt en welke gevolgen dat heeft voor de strafrechtelijke kwalificatie en de gekozen deelnemingsconstructie.

Ook de Hoge Raad oordeelt dat de beslissing van het Hof niet door de beugel kan. Indien inkomsten fiscaal zijn genoten door een vennootschap die zelf belastingplichtig is, kunnen diezelfde inkomsten niet voor hetzelfde bedrag tevens worden aangemerkt als rechtstreeks door de aandeelhouder of bestuurder genoten inkomen. Dat de verdachte feitelijk de volledige controle had over de vennootschappen en economisch bij de resultaten was betrokken, rechtvaardigt die conclusie niet. Het hof had daarom eerst moeten vaststellen wie de belastingplichtige was voor de ontvangen gelden: de vennootschappen of de verdachte persoonlijk. Pas daarna kan de vraag worden beantwoord of er sprake is van opzettelijk onjuist doen van aangiften vennootschapsbelasting en/of inkomstenbelasting.

Daarnaast wijst de Hoge Raad ambtshalve op een fundamenteel punt ten aanzien van de aangiften vennootschapsbelasting van de cv. Onder het destijds geldende fiscale regime waren alleen open commanditaire vennootschappen zelfstandig belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Uit de motivering van het hof bleek echter niet of de betrokken cv als een open cv kwalificeerde. Die kwalificatie is beslissend voor de belastingheffing. Daarom wordt de zaak teruggewezen op dit punt. Indien na terugwijzing blijkt dat sprake was van een besloten cv, ontbreekt de grondslag voor het oordeel dat onjuiste aangiften vennootschapsbelasting ertoe konden leiden dat te weinig belasting werd geheven. Mocht de cv wel als open cv moeten worden aangemerkt, dan zal het hof alsnog moeten onderzoeken hoe de ontvangen gelden fiscaal moeten worden verdeeld tussen de cv en de verdachte.

Een helder en principieel oordeel, waarmee de Hoge Raad de onjuiste benadering van het hof corrigeert.

Fiscale uitgangspunten van belang voor bestraffing

Voor de fiscale gevolgen en belastingheffing (en daarmee ook de strafrechtelijke gevolgen) is het onderscheid tussen rechtspersonen en natuurlijke personen van groot belang. Dit heeft invloed op de fiscale behandeling van een belastingplichtige. Dit geldt ook voor de vraag of er sprake is van een besloten cv of een open cv. Dat is dan ook de reden dat de Hoge Raad de zaak voor deze vraag terugwijst naar het hof. Deze vraag is overigens nog enkel voor zaken in het verleden relevant. Vanaf 1 januari 2025 wordt er geen onderscheid meer gemaakt tussen de besloten en open cv. Met ingang van die datum, kwalificeert een cv alleen nog als besloten, waardoor deze transparant wordt. Dat wil zeggen dat de winstgerechtigden geacht worden het resultaat van de cv rechtstreeks te genieten.

Het is dan ook van belang dat de juridische werkelijkheid in principe wordt gevolgd en gerespecteerd. Enkel onder strikte voorwaarden kan hiervan worden afgeweken. Zoals de Hoge Raad dan ook duidelijk heeft gemaakt.

Voor de praktijk

Het arrest benadrukt dat voor de bewijsvoering (en bestraffing) voor opzettelijk onjuist doen van aangiften éérst moet worden beoordeeld wie de belastingplichtige voor de betreffende inkomsten is. Dit scherpt de kaders niet alleen voor het Openbaar Ministerie aan, maar ook voor de Belastingdienst. De Belastingdienst kijkt in discussies soms (te) makkelijk door juridische structuren en entiteiten heen en neemt dan de betreffende inkomsten in privé in aanmerking. Zoals de A-G in zijn conclusie heeft toegelicht, kan dat enkel onder bepaalde voorwaarden en omstandigheden. Het is van belang dat alle partijen scherp blijven op de fiscale kwalificatie, voordat kan worden beoordeeld of een aangifte (opzettelijk) onjuist is geweest. Een zinvol arrest voor de praktijk dus.

 

1 A-G Wattel  24 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:283

Gepubliceerd door onze specialist:

M.N.H. (Milou) Hintzen