Skip to content

Geen onrechtmatigheid bij navorderingsaanslag, geen kostenvergoeding. Annotatie NTFR 2022/3859

In bepaalde gevallen heeft een bezwaarmaker recht op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De regels hiervoor zijn onder andere neergelegd in art. 7:15 Awb. Op basis van het tweede lid van dit artikel heeft de bezwaarmaker recht op een kostenvergoeding indien het besluit wordt herroepen en de herroeping plaatsvindt wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Verder dient de bezwaarmaker te verzoeken om een kostenvergoeding, voordat op het bezwaarschrift is beslist en dienen de kosten redelijkerwijs te zijn gemaakt. De hoogte van de (forfaitaire) vergoeding is bepaald in het BPB. De kostenvergoeding in bezwaar dient onder andere ertoe om het bestuursorgaan te dwingen een goed (primair) besluit te nemen.

Op 1 november 2022 oordeelt de rechtbank Zeeland-West-Brabant dat bij het opleggen van een aanslag het voor de inspecteur niet redelijkerwijs kenbaar was dat de aangifte onjuist zou zijn en de aangifte dus zonder nader onderzoek mocht worden gevolgd. Met andere woorden: geen sprake van een ambtelijk verzuim. Maar is dat niet wat te kort door de bocht?

Antoine Blomen meent dat er wél sprake kan zijn van ambtelijk verzuim. Dat is de verscherpte controle vanuit de Belastingdienst op de ingediende aangiftes. Deze verscherpte controle was er al – voor zover hij uit de onderhavige uitspraak opmaakt – op het moment van vaststellen van de primitieve aanslag. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in zijn uitspraak van 16 januari 2018, nr. 16/01208, NTFR 2018/0298 dat de inspecteur niet over een nieuw feit beschikt, indien de gemachtigde van belanghebbende aan een nader onderzoek is onderworpen en er binnen de Belastingdienst opdracht is verstrekt om te voorkomen dat de aangiftes van deze gemachtigde automatisch worden afgedaan. Indien de aanslag dan alsnog wordt vastgesteld (nadat de opdracht is verstrekt), is sprake van een ambtelijk verzuim. Let wel: een verscherpt onderzoek naar de gemachtigde hoeft overigens niet per definitie te betekenen dat sprake is van ambtelijk verzuim (vgl. Hof Den Bosch 21 oktober 2021, nr. 20/00245, NTFR 2021/3751).

De overweging van de rechtbank dat het bij het opleggen van de (zoals wij aannemen) primitieve aanslag voor de inspecteur niet kenbaar was dat de aangifte onjuist zou zijn en niet zonder nader onderzoek zou kunnen worden gevolgd, kunnen wij dan ook zonder nadere toelichting niet volgen. Mocht de inspecteur inderdaad niet beschikken over een navorderingsbevoegdheid en zou dit door de gemachtigde zijn gesteld, dan is dit een onrechtmatigheid die voor de proceskostenvergoeding voor rekening en risico van de inspecteur dient te komen. Hieraan zou niets mogen afdoen dat de gemachtigde in bezwaar heeft gekozen voor de makkelijkste weg door niet de navorderingsbevoegdheid (nogmaals) te bestrijden, maar de kosten alsnog (deels) aannemelijk te maken. Uit de uitspraak blijkt niet dat sprake is van kwade trouw of een van de uitzonderingen van het tweede lid van art. 16 AWR.

Lees verder: NTFR 2022 – 3859 Geen onrechtmatigheid bij navorderingsaanslag, geen kostenvergoeding.

Gepubliceerd door onze specialist:

A.H.G.M. (Antoine) Blomen