Skip to content

#435 Wederom gematigde handhaving op de Wet DBA in 2026

05 January 2026

Het is een bewogen 2025 geweest voor de Wet DBA en de gehele (schijn)zelfstandigheid-kwestie, met een tevens bewogen uiteinde. Het jaar begon met de opheffing van het handhavingsmoratorium per 1 januari, die wel gepaard ging met een zogenaamde zachte landing. Dit hield onder meer in dat over 2025 nog geen fiscale boetes werden opgelegd in geval van herkwalificatie van arbeidsrelaties en dat risicogerichte handhaving plaatsvond. Daarbij begon een controle in beginsel met een bedrijfsbezoek door de fiscus. Vanuit de Tweede Kamer is de afgelopen tijd druk op het (demissionaire) kabinet uitgevoerd om de zachte landing door te trekken naar 2026.[1] Recent heeft staatssecretaris Heijnen per brief aan de Kamer laten weten dat dit gedeeltelijk zal gebeuren.[2] Wat zijn nu de fiscale gevolgen voor het komende jaar?

Gedeeltelijke handhaving zachte landing

Concreet houdt de gedeeltelijke verlenging van de zachte landing in dat over 2026 nog steeds geen verzuimboeten worden opgelegd en daarnaast dat een controle door de Belastingdienst in beginsel opnieuw zal aanvangen met een bedrijfsbezoek.

Voor verzuimboeten is geen grove schuld of opzet vereist. Daarom vindt het kabinet het wenselijk om het opleggen van verzuimboeten bij naheffing in verband met schijnzelfstandigheid een jaar langer uit te stellen. Verzuimboeten zijn over het algemeen echter relatief laag. Dat kan heel anders zijn bij vergrijpboeten, die worden gebaseerd op het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald. Dat bedrag kan met betrekking tot loonheffingen – gelet op de tarieven – al snel oplopen. Vanaf 2026 zal de Belastingdienst wel weer kunnen overgaan tot het opleggen van vergrijpboeten. Dat deel van de zachte landing komt dus te vervallen.

Voor vergrijpboeten is evenwel grove schuld of opzet op het niet (gedeeltelijk/tijdig) betalen van de belasting vereist. De bewijslast om de aanwezigheid hiervan overtuigend aan te tonen rust op de belastinginspecteur.[3] Hier dient niet lichtzinnig mee omgegaan te worden. Indien de Belastingdienst al aannemelijk kan maken dat sprake is van schijnzelfstandigheid en dat er een herkwalificatie van de arbeidsrelatie dient plaats te vinden op grond waarvan wordt nageheven, is daarmee nog allerminst gezegd dat dit ook direct een vergrijpboete rechtvaardigt. Dit vergt een aparte en dus strengere zelfstandige beoordeling door een boetespecialist van de Belastingdienst.[4]

Hoewel voor het kunnen herkwalificeren van een arbeidsrelatie door de fiscus met aannemelijk maken een lagere bewijsdrempel geldt, kan ook daar niet te snel toe worden overgegaan. Ingeval bijvoorbeeld als zelfstandige een contractuele relatie wordt aangegaan met een opdrachtgever via een vennootschap, heeft te gelden dat de Belastingdienst in algemene zin nog altijd niet zomaar door een vennootschap heen kan kijken en dat de bewijslast om dat wel te kunnen doen op de fiscus rust.[5]

In lijn met de bewoordingen van de staatssecretaris moet de handhavingsruimte – in ieder geval het komende jaar (2026) – worden benut om op te kunnen treden tegen evidente schijnzelfstandigheid,[6] aan de hand van de (civiele) Deliveroo- en Uber-arresten van de Hoge Raad.[7] Daarom zou ik tegen de fiscus willen zeggen: bij twijfel, niet doen.

Wet Vbar versus Zelfstandigenwet

Tegelijkertijd met de hele saga omtrent de opheffing van het handhavingsmoratorium en de zachte landing is de politiek eveneens druk bezig met een nieuwe wet om het zelfstandighedenlandschap toekomstbestendiger te maken. Opvallend hierbij is het feit dat momenteel twee wetsvoorstellen in behandeling zijn: de Wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties (Wet Vbar) vanuit voormalig minister Van Hijum en de Zelfstandigenwet (een initiatiefwet) vanuit de VVD, D66, CDA en de SGP. Deze partijen zijn het initiatief van de Zelfstandigenwet gestart omdat zij zich zorgen maken over de gevolgen van de invoering van de Wet Vbar. In de memorie van toelichting van de Zelfstandigenwet wordt hierover het volgende opgemerkt:

Waar de Vbar kiest voor een breed holistisch toetsingskader en vastlegging van jurisprudentie uit het verleden – met voortzetting van de huidige problemen tot gevolg – kiest dit wetsvoorstel voor verduidelijking van werken als zelfstandige door duidelijke criteria op te nemen in de wet wanneer er in ieder geval geen sprake is van werken in dienst van een werkgever.”[8]

De tijd zal ons leren welke politieke keuzes in dit kader gemaakt zullen worden. Zolang beide wetten nog niet in werking zijn getreden zal de Belastingdienst zich (logischerwijs) in ieder geval dienen te houden aan de huidige wet- en regelgeving en jurisprudentie. Zoals gezegd kan daarmee niet te snel worden overgegaan tot herkwalificatie van een (contractuele) relatie en dus naheffing, en al zeker niet tot het opleggen van boeten.

Indien u te maken heeft of krijgt met een controle vanuit de Belastingdienst op dit gebied, kunt u uiteraard altijd contact opnemen. De potentiële (financiële) gevolgen kunnen immers groot zijn, terwijl die lang niet altijd te rechtvaardigen zijn.

 

 

[1] Zie onder meer de moties van Kamerleden Ergin, Ergin c.s. en Martens-America/Vermeer: Kamerstukken II 2025-2026, 31311, nr. 297; Kamerstukken II 2025-2026, 31311, nr. 298; Kamerstukken II 2025-2026, 31311, nr. 301.
[2] Brief van de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane van 19 december 2025, 31311-302 (tweedekamer.nl).
[3] HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.
[4] Zie paragraaf 25, vierde lid van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.
[5] Zie in dat kader ook de Memorie van Toelichting bij Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het  verduidelijken van wanneer sprake is van werken in dienst van een ander in de zin van artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en het invoeren van een rechtsvermoeden, voetnoot 81; Zie ook de blog van mijn collega Angelique Perdeams op flexmarkt.nl: ‘Arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht: wie bepaalt?’.
[6] Brief van de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane van 19 december 2025, 31311-302 (tweedekamer.nl), p. 2.
[7] HR 23 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443; HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319.
[8] Memorie van toelichting bij voorstel van de leden Aartsen, Vijlbrief, Van Dijk en Flach houdende regels in verband met het introduceren van een toetsingskader voor het werken als zelfstandige (Zelfstandigenwet), p. 58.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. M. (Micha) Verschoor