Btw-ondernemers zijn sinds 1 januari 2012 verplicht melding te maken van onjuistheden of onvolledigheden van gedane btw-aangiften die hun bekend zijn geworden. Indien een belastingplichtige de suppletieplicht vervolgens niet, of te laat nakomt, kan deze belastingplichtige worden gesanctioneerd. Uit de rechtspraak blijkt dat de Belastingdienst met de invulling van de suppletieplicht en de sanctionering blijft worstelen. De auteurs maken op basis van de belangrijkste jurisprudentie (tot dusver) de balans op en vragen zich af of inmiddels kan worden geconcludeerd dat suppletieplicht overbodige wetgeving is (gebleken). Is dit het =einde van de suppletieplicht op basis van art. 10a AWR?
Lees hier alvast een voorproefje:
Als gesproken wordt over een suppletieaangifte,geldt als eerste dat een suppletieaangifte geen ‘aangifte’ is in de zin van de AWR. De suppletieaangifte is een verzoek om een naheffingsaanslag op te leggen, of een (meestal te laat) bezwaar tegen de eigen gedane aangifte (een verzoek om ambtshalve teruggaaf). Vóór de invoering van art. 10a AWR – de verplichting – bestond het fenomeen van de suppletieaangifte al en werd deze op vrijwillige basis ingediend nadat een belastingplichtige of zijn adviseur had vastgesteld dat in het verleden een onjuiste of onvolledige aangifte was gedaan, waardoor te weinig of te veel btw werd voldaan.
De per 1 januari 2012 geïntroduceerde suppletieplicht is dan ook in de wet gekomen omdat de overheid het niet acceptabel vond dat belastingplichtigen aangiften omzetbelasting indienden, er vervolgens wetenschap bestond omtrent onjuistheden in het verleden, maar geen verplichting bestond hiervan mededeling te doen aan de Belastingdienst. Als gevolg van het stilzitten van de belastingplichtigen kon de Belastingdienst de naheffingsaanslagen niet meer opleggen c.q. invorderen (periode van 5 jaar).
Om deze achterstand van informatie(voorziening) in te perken – alsmede op tijd te kunnen naheffen – is de suppletieplicht geïntroduceerd waardoor een belastingplichtige de Belastingdienst uit eigener beweging dient te informeren, zodra hij ermee bekend is dat de eerder door hem verstrekte gegevens en inlichtingen onjuist of onvolledig blijken te zijn. Via art. 10a AWR en art. 15 UB OB wordt een belastingplichtige bestraft indien hij zich niet aan deze meldingsverplichting houdt. De vragen die op basis van de huidige jurisprudentie (eindelijk) beantwoord worden, is wanneer een
belastingplichtige in aanraking komt met art. 10a AWR én onder welke voorwaarden deze belastingplichtige beboet mag worden indien hij de verplichting van artikel 10a AWR niet nakomt