In de Vaklunch besteedt Judith de Boer aandacht aan een interessant arrest van het hof Amsterdam waarin invulling wordt gegeven aan het witwasstappenplan dat in de rechtspraak is ontwikkeld ingeval een verdenking van witwassen met een onbekend gronddelict bestaat. Spoiler: het verificatie onderzoek van het OM dient de verklaring van de verdachte te falsificeren.
Lees hier alvast een voorproefje van het artikel:
In witwaszaken waar sprake is van een onbekend gronddelict, is het stappenplan dat de rechterlijke macht gebruikt voor het beantwoorden van de vraag of geld ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ niet meer weg te denken. Wij hebben hierover ook al in diverse Vaklunches geschreven. Voor een heldere uiteenzetting hiervan verwijzen wij naar bijvoorbeeld Vaklunch #355. Hoe het witwasstappenplan wordt toegepast in de jurisprudentie is net zo interessant als het stappenplan zelf. Wij kwamen nu een mooi arrest tegen van het gerechtshof Amsterdam dat op een aantal punten op relevante wijze invulling geeft aan het stappenplan.
In deze zaak was een verdenking van witwassen ontstaan omdat de verdachte een luxe levensstijl had, vaak contante stortingen deed, maar geen aanwijsbaar inkomen had. Deze omstandigheden in combinatie met het gegeven dat de verdachte veel kortlopende leningen had met hoge rentepercentages en grote geldbedragen uit het buitenland werden gestort, maakte dat het hof tot het oordeel kwam dat de feiten en omstandigheden een vermoeden van een criminele herkomst rechtvaardigden (stap 1 en 2).
Vervolgens mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de gelden en/of goederen (stap 3). Dit had de verdachte ook gedaan. Allereerst heeft een getuige het bestaan van de leningsovereenkomsten bevestigd. Bovendien heeft de verdachte verklaard dat hij geld ontving van zijn vermogende vader uit Jordanië. De verdachte heeft hier ook diverse stukken ter onderbouwing aan ten grondslag gelegd. Belangrijk is dat het hof uitdrukkelijk overweegt dat de verdachte volgens het stappenplan niet verplicht is om stukken te overleggen. Een verklaring is dus in beginsel voldoende. Immers, het feit dat een verklaring van de verdachte mag worden verlangd betekent niet dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is (stap 4).

