De inspecteur heeft voor verscheidene jaren informatiebeschikkingen genomen vanwege het niet voldoen aan de verplichtingen van art. 47 AWR, art. 53 AWR en art. 52 AWR. In deze uitspraak wordt uitgebreid ingegaan op de vragen uit de informatiebeschikkingen, maar komen ook een aantal formeelrechtelijke punten aan bod.
Lees hier alvast een samenvatting:
Belanghebbende is bedrijfsadministrateur en dga van een bv. In de periode van 209 tot en met 2013 zijn belastingschulden van de bv betaald door derden (klanten van belanghebbende). Belanghebbende heeft deze derden terugbetaald met contante gelden die hij van familie in Hong Kong heeft geleend. Dit alles, aldus belanghebbende, om zijn klanten in staat te stellen te gokken
zonder dat ‘het thuisfront’ hiervan op de hoogte zou raken.
Het hof volgt partijen in de conclusie dat daarmee een werkzaamheid als bedoeld in art. 3.92, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 is ontstaan. Aan belanghebbende zijn informatiebeschikkingen (2009-2013) gegeven met betrekking tot de administratieplicht van art. 52 AWR en de informatieverplichting van art. 47 AWR. Het hof is van oordeel dat vanwege tekortkomingen in de werkzaamheidsadministratie de informatiebeschikkingen met betrekking tot de administratieplicht terecht zijn gegeven.
De informatiebeschikkingen die zien op de informatieverplichting zijn voor wat acht vragen betreft terecht gegeven omdat deze vragen niet of niet volledig zijn beantwoord. Het hof verwerpt de
stelling van belanghebbende dat omkering en verzwaring van de bewijslast achterwege dient te worden gelaten omdat zich bijzondere omstandigheden zouden hebben voorgedaan.