De coronabetalingsregeling kent een spanningsveld. De regeling is ruimhartig bedoeld, maar kan ook hard uitpakken zodra de Ontvanger (achteraf) concludeert dat de “corona-link” ontbreekt. De uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 11 maart 2026 (gepubliceerd op 1 mei 2026) laat zien dat dit niet alleen gevolgen voor de invordering heeft, maar ook kan doorwerken naar de vraag of een rechtsgeldige melding betalingsonmacht is gedaan.
Bijzonder uitstel vanwege corona en causaliteit
In de zaak bij de rechtbank Noord-Holland[1] ging het om een aansprakelijkstelling van een bestuurder voor loonheffingen en omzetbelasting. De discussie ziet onder andere op de vraag of een rechtsgeldige (en tijdige) melding betalingsonmacht is gedaan. En zo ja, wat die melding waard is indien het onderliggende “corona-uitstelverzoek” achteraf niet als corona-gedreven wordt gezien.
De vennootschap diende namelijk op 20 januari 2022 een verzoek in om “bijzonder uitstel van betaling vanwege coronacrisis”, met als reden -kort gezegd- terugvallende opdrachten in de transportsector. De Ontvanger verleende dat uitstel op 16 februari 2022, met een voorbehoud over de rechtsgeldige melding betalingsonmacht, namelijk dat het verzoek om uitstel in beginsel óók als melding betalingsonmacht geldt, maar alleen voor zover de betalingsonmacht “daadwerkelijk is ontstaan door de coronacrisis” en daarvoor om uitstel is gevraagd.
Vervolgens volgt de (in de praktijk herkenbare) omslag. De Ontvanger schrijft op 31 maart 2022 dat het “onwaarschijnlijk” lijkt dat de onderneming ernstige gevolgen van corona heeft ondervonden. Hij wijst daarbij op branche, timing en cijfers, en kondigt aan dat het uitstel wordt ingetrokken als niet binnen 14 dagen alsnog met stukken wordt aangetoond dat de noodzakelijke coronacausaliteit wél bestaat. Uiteindelijk wordt het corona-uitstel op 4 november 2022 ingetrokken omdat niet is gereageerd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende zijn stelling niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van terugvallende opdrachten. Dit betekent volgens de rechtbank dat het corona-uitstel ten onrechte is aangevraagd en dat dit corona-uitstelverzoek dan ook niet kan worden aangemerkt als een rechtsgeldige melding van betalingsonmacht.
De rechtbank maakt hiermee een belangrijke koppeling die in de praktijk van belang is. Als de aangevoerde coronareden (“terugvallende opdrachten”) niet aannemelijk wordt gemaakt, dan is het corona-uitstel ten onrechte aangevraagd en kan het uitstelverzoek, aldus de rechtbank, niet worden aangemerkt als een rechtsgeldige melding betalingsonmacht.
Spelregels bestuurdersaansprakelijkheid
Op grond van artikel 36, eerste lid, van de IW 1990 is ieder van de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting en omzetbelasting verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam.
Dat lichaam is verplicht om onverwijld nadat is gebleken dat het niet tot betaling van loonheffing en/of omzetbelasting in staat is, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de Ontvanger (tweede lid van artikel 36 van de IW 1990).
Onverwijld betekent uiterlijk twee weken na de dag waarop de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen of voldaan ingevolge artikel 19 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Ingeval van een naheffingsaanslag kan de mededeling worden gedaan uiterlijk twee weken na de vervaldag van de aanslag. Bij de mededeling wordt inzicht gegeven in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de verschuldigde belasting niet op aangifte is afgedragen of voldaan of niet is betaald.[2]
Indien aan de verplichting tot het melden van betalingsonmacht is voldaan, is de bestuurder van de vennootschap slechts aansprakelijk voor de belastingschuld, indien aannemelijk is dat het niet kunnen betalen van de verschuldigde belasting het gevolg is van aan de bestuurder te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur voor een periode van drie jaar voorafgaand aan de melding (artikel 36, derde lid, van de IW 1990). De bewijslast ter zake rust dan op de Ontvanger.
Indien niet aan de meldingsverplichting is voldaan, dan geldt voor de bestuurder dat voor een periode van drie jaar voorafgaand aan het moment waarop gemeld had moeten zijn, een vermoeden geldt van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De bestuurder wordt alleen tot weerlegging van dit wettelijk vermoeden toegelaten als hij aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat niet tijdig is gemeld (artikel 36, vierde lid, van de IW 1990).
Volgens de Hoge Raad is van onbehoorlijk bestuur sprake als geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – gehandeld zou hebben als de aansprakelijk gestelde bestuurder heeft gedaan. Dit is onder meer het geval indien de aansprakelijk gestelde bestuurder van een lichaam heeft bewerkstelligd dat belastingschulden van dat lichaam onbetaald zijn gebleven terwijl hij wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat die belastingschulden onbetaald zouden blijven en hem te dezer zake persoonlijk een ernstig verwijt treft.[3]
Dit betekent echter niet dat een schuldenaar die niet in staat is al zijn schuldeisers volledig te betalen, steeds onrechtmatig handelt wanneer hij een schuldeiser voldoet vóór andere schuldeisers, ook als hij daarbij geen rekening houdt met eventuele preferenties. Het staat (een bestuurder van) een vennootschap in beginsel vrij op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zullen worden voldaan.[4]
(On)terechte koppeling beschikking betalingsregeling en melding betalingsonmacht
In de praktijk vormt het oordeel van de Ontvanger “te laat gemeld” een cruciale bouwsteen in de beschikking aansprakelijkstelling. De Ontvanger stelt de bestuurder aansprakelijk en maakt gebruik van het bewijsvermoeden van onbehoorlijk bestuur met het standpunt dat geen rechtsgeldige (tijdige) melding is gedaan.
De bestuurder die het met dat standpunt oneens is, bestrijdt het standpunt van de Ontvanger daarom in de regel via de bestuursrechtelijke rechtsgang tegen de aansprakelijkstelling. Dat betekent dat in bezwaar en vervolgens in beroep (en zo nodig in hoger beroep en cassatie) vol wordt ingezet op het bewijs van (i) het moment van betalingsonmacht, (ii) de datum waarop is gemeld, (iii) wat precies is gemeld en (iv) waarom aan de meldingsvereisten is voldaan.
Al met al vraag ik me nog wel af of een directe koppeling tussen het afwijzen van een betalingsregeling (coronasteun) en een rechtsgeldige melding betalingsonmacht gemaakt mag worden. De wettelijke meldplicht, ex artikel 7 Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990, vermeldt enkel wanneer gemeld moet worden en verplicht de belastingschuldige de Ontvanger inzicht te verschaffen in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de verschuldigde belasting niet op aangifte is afgedragen of voldaan of niet is betaald.
Het is aan de Ontvanger om de betalingsregeling toe te kennen (of niet). Dat staat wat mij betreft los van de melding betalingsonmacht. De politiek heeft in het kader van de “coronamaatregelen” de twee losstaande regelingen samen laten smelten (verzoek om betalingsregeling = geldige melding betalingsonmacht) om het voor de ondernemers makkelijker te maken. Dit alles volgt niet uit de letter van de wet.
Ik volg de rechtbank dan ook niet als het gaat om het uitgangspunt dat indien corona-uitstel ten onrechte is aangevraagd, geen sprake kan zijn van (alsnog) een rechtsgeldige melding betalingsonmacht. Mijn lezing van deze kwestie is dan ook dat bij de onderneming nooit sprake is geweest van een rechtsgeldige melding, ómdat geen sprake was van het niet-kunnen betalen van belasting.
Mijn stelling is dan ook dat in situaties waarbij de coronabetalingsregeling (beschikking) is ingetrokken, nog steeds rechtsgeldig kan zijn gemeld zolang (ten tijde van de melding) sprake was van het niet-kunnen betalen van belasting. Het gaat erom of aan de meldvoorwaarden van artikel 36 van de IW 1990 is voldaan.
[1] Rechtbank Noord-Holland, 11 maart 2026, AWB – 25 _ 1951 (ECLI:NL:RBNHO:2026:2673).
[2] Artikel 7 Uitvoeringsbesluit IW 1990.
[3] Vgl. HR 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2053, HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2982 en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:530.
[4] Zie HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:576, rechtsoverweging 3.5.1.