In het Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving verschijnt halfjaarlijks een kroniek ondernemingsstrafrecht, met de laatste ontwikkelingen op het gebied van onder andere het fiscale strafrecht.
Lees hier alvast een voorproefje:
Aan de verdachte was onder meer ten laste gelegd dat hij de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2015 opzettelijk onjuist en/of onvolledig heeft ingediend. Namens de verdachte is een opzetverweer gevoerd dat door de rechtbank is gevolgd. Daartoe overwoog zij dat uit getuigenverklaringen in verband met een door de verdediging verstrekte brief en een e-mailbericht van de officier van justitie volgt dat de verdachte voorafgaand aan het indienen van de betreffende aangifte inkomstenbelasting had gesproken met twee medewerkers van de Belastingdienst.
Uit de brief die is verstuurd namens de inspecteur blijkt dat de bewuste aangifte van de verdachte in overleg met de Belastingdienst op deze wijze is ingediend. Uit de context van deze brief leidt de rechtbank af dat de afspraak kennelijk ertoe strekte dat de Belastingdienst de correcties op de aangifte na indiening zou aanbrengen door middel van navordering. Onder die omstandigheden kan niet worden gesproken van opzet tot het indienen van een onjuiste aangifte zijdens de verdachte.
De vraag of een veroordeling zou kunnen volgen voor een niet-opzetvariant (artikel 68 lid 1 sub a AWR) beantwoordde de rechtbank ontkennend, aangezien voor overtredingen geldt dat het recht tot strafvordering vervalt door verjaring in drie jaren (artikel 70 lid 1, sub 1° Sr). Overigens heeft de verdachte de overige feiten die waren ten laste gelegd bekend en dat resulteerde in een taakstraf van 180 uur.
Heeft u graag de belangrijkste jurisprudentie en wetgeving van de tweede helft van 2021 op een rij? Raadpleeg dan de kroniek ondernemingsstrafrecht geschreven door Anke Feenstra. Lees verder.