Tijdens Prinsjesdag is het wetsvoorstel ‘Openbaarmaking medepleegboetes’ gepresenteerd als onderdeel van Overige fiscale maatregelen 2020. Het wetsvoorstel maakt het mogelijk dat vergrijpboetes die worden opgelegd aan beroepsbeoefenaars gedurende vijf jaren op de website van de Belastingdienst worden gepubliceerd. Met het openbaar maken van de boetes beoogt de wetgever potentiële klanten te informeren en waarschuwen voor ‘rotte appels’ onder de belastingadviseurs en accountants. In een bijdrage in Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht concluderen An Klaasse en Angelique Perdaems dat de openbaarmaking als een straf kwalificeert en zijn doel om het publiek voor te lichten voorbij schiet.
Lees hier alvast een voorproefje:
Ondanks felle kritiek op het consultatiewetsvoorstel ‘Openbaarmaking medepleegboetes’ is het wetsvoorstel tijdens de afgelopen Prinsjesdag toch in de Overige fiscale Maatregelen 2020 opgenomen. Het wetsvoorstel is op 14 november 2019 aangenomen door de Tweede Kamer, met een wijziging dat openbaarmaking ook zal gelden voor vergrijpboetes uit hoofde van de Wet Bronbelasting 2021.
Het wetsvoorstel bevat een aantal verbeteringen ten opzichte van het consultatiewetsvoorstel. Zo wordt de mogelijkheid geboden een zienswijze omtrent de voorgenomen openbaarmaking in te dienen voordat besloten wordt of de boete openbaar wordt gemaakt. Ook is na advies van de Raad van State het doel van de openbaarmaking geconcretiseerd. Het enige doel is het publiek voor te lichten over beroepsbeoefenaars die door middel van medeplegen belastingontduiking of toeslagfraude faciliteren, aldus de memorie van toelichting.
Hoewel bestraffing volgens het kabinet niet het doel is van openbaarmaking, wordt de openbaarmaking van de boete uiteraard wel als straf ervaren. Het wetsvoorstel ‘Openbaarmaking medepleegboetes’ komt op een moment dat de medepleegboete uit art. 5:1 Awb tien jaar bestaat. Ondanks de invoering in 2009 zag de eerste gepubliceerde medepleegboete pas het licht in 2017 met de uitspraak van Rechtbank Gelderland van 24 april 2017.
In deze zaak werd een boete ex art. 67f Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) opgelegd aan een notaris wegens het medeplegen van het opzettelijk niet-voldoen van overdrachtsbelasting. Deze uitspraak kreeg een vervolg in hoger beroep met de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 23 mei 2018. Het hof oordeelde evenals de rechtbank dat de boete terecht was opgelegd.