Skip to content

Vaklunch #626: Gegijzeld door onredelijk beslag: tijd voor zelfreflectie bij het (E)OM

13 June 2025

Recent heeft de Hoge Raad een beschikking gewezen (ECLI:NL:HR:2025:804) over de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit bij de voortzetting van conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv. In deze zaak stond centraal of de rechtbank Den Haag voldoende had onderzocht of het beslag, gelet op de waarde van de inbeslaggenomen goederen en de hoogte van de te verwachten schadevergoedingsmaatregel, proportioneel en subsidiair was. De Hoge Raad vernietigde de beschikking van de rechtbank en wees de zaak terug voor een nieuwe behandeling. Duidelijk wordt dat een concrete en zorgvuldige belangenafweging vereist is, zeker wanneer de beslagene gemotiveerd aanvoert dat het beslag de toets van proportionaliteit en subsidiariteit niet haalt.

Lees hier alvast een voorproefje van het artikel:

In onderhavige zaak was onder de klager onredelijk beslag gelegd op diverse goederen, waaronder geldbedragen, twee horloges en een motorfiets, met een totale waarde van € 67.775. Het beslag was gelegd met het oog op een mogelijke schadevergoedingsmaatregel van € 38.000. De klager voerde aan dat de waarde van de inbeslaggenomen goederen de te verwachten betalingsverplichting ruimschoots overtrof en dat het beslag daarom niet langer proportioneel was. Daarnaast stelde hij dat het beslag op de motor tot waardevermindering leidde en dat hij het geld nodig had voor zijn onderneming. De rechtbank Den Haag verklaarde het beklag ongegrond en overwoog dat het summiere karakter van het raadkameronderzoek meebracht dat de enkele stelling over de disproportionaliteit van het beslag geen reden was om het beslag op te heffen. Ook aan de persoonlijke omstandigheden van klager werd voorbijgegaan.

De Hoge Raad herhaalt in zijn beschikking de relevante overwegingen uit eerdere rechtspraak (HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128) over de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit bij beslag. De kern van het oordeel is dat de rechter niet ambtshalve hoeft te onderzoeken of voortzetting van het beslag aan deze eisen voldoet, maar dat dit anders is wanneer de klager daarover gemotiveerd klaagt. In dat geval kan de rechter gehouden zijn om expliciet te onderzoeken of het beslag nog proportioneel en subsidiair is.

De Hoge Raad benadrukt bovendien dat bij beslag op grond van artikel 94a Sv, zoals in deze zaak het geval is, de rechter in het bijzonder moet onderzoeken of er een redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de betalingsverplichting. Dit onderzoek is des te meer vereist wanneer de klager hierop een gemotiveerd beroep doet. Bovendien kan tijdsverloop – en daarmee het feit dat de klager al langer door het beslag wordt getroffen – maken dat meer gewicht toekomt aan de persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag.

Lees hier het volledige artikel: Vaklunch #626: gegijzeld door onredelijk beslag: tijd voor zelfreflectie bij het (E)OM

 

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. drs. S.H. (Seleyna) Çelik