Skip to content

#364 De strafrechtelijke onschuld en het bestuursrechtelijke tegendeel

03 June 2024

Strafrechtelijke verdenkingen beperken zich al lang niet meer tot het strafrecht. Als een olievlek breidt een strafrechtelijk probleem zich uit naar andere rechtsgebieden, met alle gevolgen van dien. Zorgwekkend is dat zelfs een vrijspraak dat vaak niet kan stoppen. Al in 2020 schreef ik in #153 dat de onschuldpresumptie daadkrachtige bescherming verdient.

Dat het belangrijk is om dit fundamentele beginsel onder de aandacht te blijven brengen, blijkt helaas nog steeds uit de rechtspraak waarin voormalig verdachten na een vrijspraak toch met nadelige gevolgen in andere rechtsgebieden worden geconfronteerd. Zo ook in een recente zaak waarin de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de onschuldpresumptie niet in de weg stond aan een last onder dwangsom na een vrijspraak.[1]

 

Vrijspraak en onschuldpresumptie

Strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures bestaan naast elkaar, maar kunnen niet (volledig) los van elkaar worden gezien: zeker niet als een strafrechtelijke vervolging resulteert in een vrijspraak. Daar moet ook de bestuursrechter rekening mee houden.

Echter, de bestuursrechter en de strafrechter hebben een eigen beoordelingsruimte. Daarbij staat voorop dat een vrijspraak op grond van de onschuldpresumptie achteraf niet in twijfel mag worden getrokken door het oordeel in een bestuursrechtelijke procedure.

Als gevolg van minder strenge bewijsregels of op grond van aanvullend bewijs kunnen gedragingen in een latere bestuursrechtelijke procedure alsnog door de bestuursrechter aannemelijk worden geacht. De rechter én bestuurlijke autoriteiten mogen echter met hun optreden, de motivering van de beslissing of gebruikte bewoordingen geen twijfel doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak.[2]

 

Last onder bestuursdwang om overtreding te stoppen

Recent oordeelde de Afdeling dat de onschuldpresumptie niet in de weg stond aan een last onder dwangsom na een vrijspraak.[3] De zaak begon in 2019 met een controle door de NVWA, in aanwezigheid van politieambtenaren, bij een groot- en detailhandel in tuinartikelen. Van de bevindingen tijdens de doorzoeking werd een bestuurlijke rapportage opgemaakt. Op grond van de bestuurlijke rapportage werd door de burgemeester een last onder dwangsom opgelegd om de overtreding van artikel 11a Opiumwet te beëindigen en beëindigd te houden.

Deze wetsbepaling stelt allerlei vormen van voorbereidingshandelingen van illegale hennepteelt strafbaar, waaronder het te koop aanbieden en verkopen van goederen die zijn bestemd voor de strafbare productie van drugs. Op grond van de last onder dwangsom moest de tuinhandel zijn assortiment en bedrijfsvoering aanpassen. Bij niet-naleving van de last zal de burgemeester opdracht geven het pand voor de duur van drie maanden te sluiten. Dat is nogal iets dat boven het hoofd van een ondernemer hangt.

Strafrechtelijk gezien werd de tuinhandel vervolgd voor overtreding van artikel 11a Opiumwet. Daarvoor volgde in maart 2021 een vrijspraak. De tuinhandel werd dus vrijgesproken voor precies datgeen hem in de last onder dwangsom werd opgedragen te beëindigen.

In 2022 verklaarde de bestuursrechter het beroep echter ongegrond. De Afdeling laat deze uitspraak in stand:

“Weliswaar is de tenlastelegging waarvan de politierechter [appellant] heeft vrijgesproken, gebaseerd op hetzelfde feitencomplex als de last onder bestuursdwang en wordt hem in beide gevallen handelen in strijd met artikel 11a Opiumwet tegengeworpen, maar de last is gebaseerd op een bewijsmiddel waarover de politierechter niet de beschikking heeft gehad. Het gaat hierbij om het politierapport van 5 februari 2020.”

De Afdeling beslist dat de bestuursrechter met het oordeel geen twijfel heeft doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak. Dit komt doordat het zijn oordeel heeft gebaseerd op een bewijsmiddel waarover de politierechter niet de beschikking heeft gehad.

 

Aanvullend bewijs dat al bestond vóór de vrijspraak

In de bestuurszaak is dus gebruik gemaakt van de ruimte om vanwege “aanvullend bewijs” tot een ander oordeel dan de strafrechter te komen. Deze conclusie roept vragen op. Het aanvullend bewijs is een politierapport van 5 februari 2020. De vrijspraak in de strafzaak is van 18 maart 2021. Waarom het politierapport niet is ingebracht in de strafzaak, is onduidelijk. Dat rapport zou immers onderdeel moeten uitmaken van het strafdossier.

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat hier een fout is gemaakt, waardoor sprake was van een onvolledig dossier tijdens de strafzitting en (daardoor) van onvoldoende bewijs. Een vrijspraak is dan de juiste strafrechtelijke conclusie.

Dit sterkt echter wél de indruk dat men dit vervolgens via de bestuursrechtelijke route heeft geprobeerd goed te maken. Ik meen dat daarmee niet wordt voldaan aan het vereiste dat niet alleen de rechterlijke, maar óók de bestuurlijke autoriteiten met hun optreden, motivering of bewoordingen geen twijfel doen ontstaan over de juistheid van een vrijspraak.

 

Twijfel

Zaait de bestuursrechter met deze uitspraak geen twijfel over de juistheid van de uitspraak van de strafrechter? Ik betwijfel het. De bestuursrechter zegt eigenlijk dat de strafrechter tot een vrijspraak is gekomen omdat er een bewijsmiddel ontbrak. De Afdeling overweegt:

“Hierbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat in het politierapport is onderbouwd dat de aangetroffen goederen geschikt zijn voor grootschalige en professionele hennepteelt, terwijl de politierechter wegens het ontbreken van deze onderbouwing [appellant] heeft vrijgesproken.”

Met andere woorden: mét dat bewijsmiddel was de strafrechter vermoedelijk wel tot een bewezenverklaring gekomen. Sterker nog: met dat bewijsmiddel komt de bestuursrechter wél tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat de tuinhandel zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Opiumwet. Dat strookt niet met de vrijspraak.

 

Bescherm de onschuldpresumptie!

De uitspraak van de Afdeling maakt weer eens duidelijk dat de onschuldpresumptie zich ook kan uitstrekken tot een bestuursrechtelijke procedure. Dat is op zichzelf bezien positief. Maar we blijven wachten op het daadkrachtige signaal van de rechter dat de onschuldpresumptie een fundamenteel rechtsbeginsel is dat moet worden gewaarborgd. Een technische omweg om in een bestuursrechtelijke procedure alsnog tot de vaststelling van een overtreding te komen, past daar niet bij.

 

[1] Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1958.
[2] Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3148.
[3] Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1958.

Gepubliceerd door onze specialist:

M. (Maaike) Coenen