Skip to content

De overheid moet terughoudend procederen

14 July 2025

De overheid als procespartij ligt politiek onder een vergrootglas. Aanleiding hiervoor zijn de moties-Leijten en -Ellian[1], waarin wordt opgeroepen tot reflectie op de rol van de rijksoverheid in juridische procedures. De recente Kamerbrief van 4 juli 2025 en bijbehorende beslisnota[2] geven inzicht in een belangrijke herbezinning: de overheid moet niet procederen omdat het kan, maar alleen als het moet.

Dat uitgangspunt lijkt evident, maar de praktijk liet in het verleden nogal eens een ander beeld zien. Burgers en ondernemers die in eerste aanleg in het gelijk werden gesteld, zagen zich toch geconfronteerd met hoger beroep. Soms uit angst voor precedentwerking, soms uit juridische reflex en soms simpelweg omdat ‘het beleid’ dat voorschreef. Dat heeft zijn prijs. Niet alleen in kosten, maar ook in vertrouwen in de overheid.

Het demissionaire kabinet onderschrijft nu dat procederen voor de overheid een ultimum remedium moet zijn. Terughoudendheid, zorgvuldigheid en de-escalatie zijn kernbegrippen. Zeker waar het geschillen met burgers betreft, dient de overheid zich bewust te zijn van haar machtspositie. De rijksoverheid is geen gewone procespartij. Haar handelen moet fair, uitlegbaar en proportioneel zijn. De juridische strijd tussen overheid en burger is immers zelden gelijkwaardig.

Terecht wordt in de brief ook aandacht besteed aan het hoger beroep. De boodschap is helder: alleen wanneer zwaarwegende algemene belangen spelen — bijvoorbeeld het waarborgen van rechtsgelijkheid of de eenheid van rechtspraak — is voort procederen gerechtvaardigd. Dat vereist een scherpere belangenafweging en een heldere motivering.

Een stap in de goede richting is de ontwikkeling van een afwegingskader voor procedeergedrag in het bestuursrecht. Hiermee krijgt de bestuurspraktijk concrete handvatten om terughoudendheid daadwerkelijk vorm te geven. Maar papier is geduldig. Cultuurverandering vraagt meer: bewustzijn, opleiding en aanspreekbaarheid. Ook van de landsadvocaat mag worden verwacht dat hij niet slechts procedeert, maar ook reflecteert.

De reflectie is waardevol, maar de échte toets zit in de praktijk. Want vertrouwen komt te voet, maar vertrekt te paard. De burger verdient een overheid die niet blind verdedigt, maar weloverwogen kiest wanneer zij de gang naar de rechter maakt. En wanneer juist niet.

[1] Kamerstukken II 2022/23, 29 279, nr. 761
[2] Brief van Staatssecretaris van Rechtsbescherming Struycken van 4 juli 2025, kenmerk 6425040

Gepubliceerd door onze specialist:

R. (Roelof) Vos