Skip to content

#445 Procesafspraken afgestraft

16 March 2026

Het maken van “procesafspraken” is een niet meer weg te denken fenomeen in het strafrecht. Efficiëntie voert de boventoon. Slordigheid en gemakzucht liggen op de loer. De rechter blijft (gelukkig) kritisch.

Korte terugblik

Er wordt al jaren geëxperimenteerd met het maken van procesafspraken.

Wie herinnert zich de roemruchte witwaszaak Cymbal niet? Er waren in die zaak procesafspraken over de op te leggen straf gemaakt. De rechtbank veegde de afspraken echter van tafel, omdat de straf op geen enkele wijze recht deed aan de aard en de ernst van de feiten en liet het woord “klassenjustitie” vallen. De afspraken hielden in dat de verdachten geen gevangenisstraf behoefden te ondergaan. De rechtbank legde echter onvoorwaardelijke gevangenisstraffen van 5 en 6 jaar op.

In hoger beroep volgde het hof de afspraken wel. Het hof overwoog daartoe dat het – anders dan de rechtbank – rekening had gehouden met de context waarin de strafbare feiten waren gepleegd en hetgeen destijds gebruikelijk was op Curaçao (waar de feiten zich hadden afgespeeld). Een ware tombola voor de toenmalige verdachten.

In zijn arrest van 27 september 2022 liet de Hoge Raad zich voor het eerst uit over de toelaatbaarheid van procesafspraken in strafzaken. Hoewel een wettelijke regeling ontbreekt, verzet het strafvorderlijk stelsel zich niet tegen procesafspraken, aldus de Hoge Raad, die verder overwoog dat dergelijke afspraken geen afbreuk doen aan de zelfstandige positie van de rechter. De Hoge Raad formuleerde ook aandachtspunten die de rechter bij het beoordelen van procesafspraken in acht moet nemen.

Het Openbaar Ministerie heeft nadien de Aanwijzing procesafspraken in strafzaken (2023A0002) gepubliceerd. In deze aanwijzing zijn de randvoorwaarden opgenomen die de officier van justitie in acht dient te nemen bij het maken van procesafspraken.

Nemen procesafspraken een vlucht?

Ik heb geen zicht op de hoeveelheid zaken waarin procesafspraken zijn gemaakt; voor zover ik weet zijn daarvan (nog) geen statistieken beschikbaar. Of het fenomeen een vlucht heeft genomen, kan ik daarom niet zeggen. Wel vermoed ik dat de meeste procesafspraken door de rechter worden gevolgd. In die gevallen wordt het vonnis van de rechtbank doorgaans niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.

Het zou mijns inziens wel aanbeveling verdienen meer zicht te krijgen op zaken waarin procesafspraken aan de orde zijn om willekeur aan de kant van het Openbaar Ministerie te voorkomen. Het mag, meen ik, niet zo zijn dat het bij de ene officier van justitie makkelijker zakendoen is dan bij een andere.

Waakzaamheid blijft geboden

Je hoort regelmatig dat het strafrechtsysteem “piept en kraakt”. De rechterlijke macht is al vele jaren onderbezet en overbelast. Logisch dat dan naar alternatieve oplossingen wordt gezocht. Verdachten zullen echter alleen geïnteresseerd zijn in het maken van procesafspraken als dat beter uitpakt dan het voeren van een (langdurige) procedure bij de strafrechter, en pas nadat de (on)mogelijkheden van een buitengerechtelijke afdoening grondig zijn beproefd.

Het ligt vervolgens op de weg van de advocaat om een gedegen inschatting te maken van de procesrisico’s van de cliënt. Dat vereist dossierstudie en een goed inschattingsvermogen. Wat laat je zwaarder wegen? Soms zijn er heel goed bewijsverweren te voeren, zijn standpunten die aan een belastingaangifte ten grondslag liggen (achteraf) pleitbaar (te maken). En wat is voor die ene cliënt belangrijk? Relatief snel zekerheid, of toch liever die (kans op) vrijspraak (met alle risico’s van dien)?

Advocaten behartigen uitsluitend de belangen van hun cliënt. Een efficiënte gang van zaken kan, maar hoeft niet in het belang van de cliënt te zijn.

Voor het Openbaar Ministerie is efficiëntie wel een (neven)doel op zich. De drang naar efficiëntie is echter (ook) niet van risico’s ontbloot. Er kan een neiging ontstaan zaken maar even snel te regelen, zonder het dossier goed te hebben beoordeeld en/of de zaak goed te hebben ingeschat. Voorbeelden daarvan zijn te vinden in twee zaken die recent door de rechtbank Amsterdam zijn beoordeeld.

Zo oordeelde deze rechtbank op 29 januari 2026 dat het gezamenlijke afdoeningsvoorstel van de officier van justitie en de verdachte geen recht deed aan een bewezenverklaring en werd ook de voorgestelde strafmaat niet passend geacht. Het (gepubliceerde) proces-verbaal van de zitting, verraadt een gebrekkige voorbereiding van de officier van justitie. Het dossier bleek niet compleet en de officier van justitie had geen trefzeker antwoord op vragen van de rechtbank over de voorgestelde straf. De rechtbank hield de zaak aan en bepaalde dat deze door een andere zittingscombinatie zal worden behandeld. Niet bepaald efficiënt.

In een andere zaak was deze (zelfde) rechtbank behoorlijk kritisch op de gang van zaken die aan het maken van procesafspraken was voorafgegaan. De officier van justitie had aan de verdachte die in verzekering was gesteld (!) (laten) vragen of hij zich met het maken van procesafspraken “nu of in de komende twee weken” zou willen neerleggen bij een taakstraf van 240 uur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Daarover stelde de rechtbank (uiteraard) vragen. De zaaksofficier gaf toe dat het voor hem ook de eerste keer was dat hij op die manier procesafspraken had proberen te maken en dat hij soms ook zoekende is hoe het proces het best vormgegeven kan worden.

De rechtbank was van oordeel dat de officier van justitie met diens handelwijze de grens had opgezocht. Dat stond echter niet in de weg aan het (nagenoeg) volgen van de procesafspraken. De rechtbank legde wel een lichtere taakstraf (240 uur) op dan in de procesafspraken (300 uur) was vastgelegd, waarbij werd overwogen dat het de rechtbank, ook na een toelichting van de officier van justitie, niet duidelijk was geworden waarom het aantal te werken uren was verhoogd. Voor het overige volgde de rechtbank de procesafspraken wel.

De tekst van het afdoeningsvoorstel in deze zaak is overigens integraal opgenomen in het vonnis van de rechtbank. Daarin staat onder meer dat de overeenkomst bewust beperkt is tot één pagina (“want: hoe meer tekst, hoe meer twist”). Was dat werkelijk de reden? Of is het gewoon sneller en makkelijker om zo’n kort tekstje te maken?

Gepubliceerd door onze specialist:

P.J. (Peter) van Hagen