Met ingang van 1 januari 2010 is art. 16, lid 2, onderdeel c, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) ingevoerd. In deze bepaling is navordering mogelijk gemaakt voor de gevallen waarin te weinig belasting is geheven doordat ten gevolge van een fout een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is. Voor de beantwoording van de vraag wanneer sprake is van een redelijkerwijs kenbare fout, is een fictie opgenomen. Van zo’n fout is in ieder geval sprake indien de te weinig geheven belasting ten minste 30% van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt.
Inmiddels heeft de Hoge Raad een viertal arresten gewezen over navordering op grond van art. 16, lid 2, onderdeel c, AWR. Angelique Perdaems en Gabriëlla Ulrich bespreken in dit artikel drie van deze arresten en gaan in op de daaraan voorafgaande conclusies van A-G IJzerman. De nadruk in deze bijdrage ligt op de vraag op welke fouten deze bepaling ziet en in welke gevallen sprake is van een kenbare fout. Daarbij wordt ingegaan op de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren bij toepassing van de 30%-fictie.
Lees het volledige artikel hier: Redelijkerwijs kenbare fout: Hoge Raad stelt grenzen, TFB 2014, nr 7.