In een recente douanestrafzaak zette hof Den Bosch de spotlight op de uitnodiging tot het doen van aangifte. Is er geen brief voor aangifte? Dan is er ook geen belastingfraude.
Lees hier alvast een voorproefje:
Meestal levert de boodschap dat je niet bent uitgenodigd een negatieve connotatie op. In de fiscaliteit ligt dat anders. Dat geldt zeker voor fiscale strafzaken op grond van artikel 69 AWR, waarin bewijs moet worden geleverd voor het bestanddeel “bij belastingwet voorziene aangifte”. Ontbreekt dat bewijs? Dan volgt vrijspraak. Zo ook in een recente douanestrafzaak van hof Den Bosch tegen een voormalig aandeelhouder van een vennootschap.
In deze zaak had de officier van justitie meerdere feiten ten laste gelegd aan de verdachte, waaronder primair het (mede)plegen en subsidiair het feitelijk leidinggeven aan ‘klassieke’ belastingfraude zoals strafbaar gesteld in artikel 69 AWR. Daarin onderstreept het hof terecht het belang van het bewijs van de fiscale uitnodiging tot het doen van de aangifte. Het is standaardjurisprudentie dat zonder die uitnodiging er geen verplichting is om aangifte te doen en dat van een “bij belastingwet voorziene aangifte” geen sprake is. Meer in het bijzonder betrof de verdenking dat de verdachte opzettelijk niet en/of niet binnen de daarvoor gestelde termijn een aangifte accijnsbelasting had gedaan van 21 zendingen alcoholhoudende producten, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.
Hof Den Bosch kwam in heldere bewoordingen tot een vrijspraak en overwoog in lijn met de geldende jurisprudentie dat de voormalig aandeelhouder van de vennootschap niet als pleger van de verweten accijnsfraude kon worden aangemerkt. Dit vanwege de simpele reden dat niet de voormalig aandeelhouder, maar de vennootschap aangifteplichtig is onder de Wet op de accijns. Het is een zogenaamd kwaliteitsdelict. Hooguit kon de voormalig aandeelhouder dus als medepleger of feitelijk leidinggever van de verweten accijnsfraude worden aangemerkt. Daarvoor is in ieder geval ‘dubbel opzet’ vereist. Dat wil zeggen dat het hof moest toetsen of de voormalig aandeelhouder opzet had op medeplegen en/of feitelijk leidinggeven enerzijds, én op de accijnsfraude anderzijds. Zover kwam het hier echter niet, omdat óók de vennootschap niet als pleger van de verweten accijnsfraude kon worden aangemerkt; de vennootschap was namelijk niet uitgenodigd tot het doen van aangifte accijnsbelasting.
Lees meer hierover in de Vaklunch die Judith Gijsen hier over schreef.