Skip to content

#312 Tornen aan de proceskostenvergoeding: (on)terecht?

17 April 2023

Op 17 maart van dit jaar heeft rechtbank Den Haag een principiële uitspraak gedaan over de proceskostenvergoedingen in Mulderzaken.[1] De rechtbank wijkt af van de jurisprudentie van onder andere de Hoge Raad en vermindert de forfaitaire proceskostenvergoeding voor de gemachtigde in deze onderhavige procedure aanzienlijk. Nadat staatssecretaris Van Rij eerder aankondigde de proceskostenvergoeding aan banden te willen leggen, tornt nu dus ook de rechter aan de proceskostenvergoeding. Maar is dit wel terecht?

No cure, no pay

In de casus was sprake van een boete voor een lichte verkeersovertreding, een zogenoemde Mulderzaak. De belanghebbende was in beroep gegaan tegen de verkeersboete waarvoor hij een gemachtigde had ingeschakeld. De gemachtigde werkte op basis van no cure, no pay. Doordat de verkeerde feitcode op de boete stond vermeld, werd de belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk gesteld hetgeen volgens vaste jurisprudentie tot gevolg zou moeten hebben dat de officier van justitie de proceskosten moet vergoeden aan de (gemachtigde van) belanghebbende. Volgens de kantonrechter is het echter niet aan de samenleving uit te leggen dat de gemachtigde ondanks zijn geringe inspanningen bijna € 1.300 aan proceskostenvergoeding ontvangt. Hij matigt de vergoeding dan ook en merkt aanvullend op dat de wetgever aan zet is om op structurele wijze een einde te maken aan de te hoge proceskostenvergoedingen. Verder zijn volgens de kantonrechter burgers mondig genoeg om hun belangen in Mulderzaken zelf voor het voetlicht te kunnen brengen.

Ook staatssecretaris Van Rij heeft zich eerder dit jaar opgewonden over de hoogte van de proceskostenvergoeding. Begin maart kondigde hij aan dat hij maatregelen wil nemen tegen WOZ-bezwaarbureaus (in veel gevallen eveneens no-cure-no-paybureaus) nu de proceskostenvergoedingen die dergelijke bureaus opstrijken niet in verhouding zouden staan tot het belastingvoordeel dat wordt behaald voor de individuele belanghebbenden. In de Telegraaf noemde ik de uitspraken van Van Rij eerder al makkelijk scoren en symptoombestrijding.[2]  Zijn uitspraken hebben echter geresulteerd in een plan van aanpak dat hij op 23 maart jl. heeft gepresenteerd aan de Tweede Kamer. De staatssecretaris stelt bij WOZ-procedures onder andere een verplicht informeel traject voor en geen toekenning van proceskostenvergoeding als de WOZ-waarde slechts licht wordt bijgesteld.

De proceskostenvergoeding

De proceskostenvergoeding wordt in het bestuursrecht bepaald op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb).[3] Bij een veroordeling in de kosten wordt volgens artikel 1 Bpb een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vergoed. Voor de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van forfaitaire bedragen die onder meer afhankelijk zijn van de proceshandelingen en de wegingsfactor.[4] Op basis van artikel 2, derde lid Bpb kan in bijzondere omstandigheden worden afgeweken van de hoogte van de forfaitaire bedragen. Afwijken kan dus zowel in het voordeel, als in het nadeel van de belanghebbende.

Volgens de Hoge Raad is een afwijking in het voordeel van de belanghebbende gerechtvaardigd als het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking in de daartegen gestelde procedure geen stand zal houden.[5] Ook kan in het voordeel van de belanghebbende worden afgeweken als het bestuursorgaan in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.[6] In de praktijk blijkt dat een hogere proceskostenvergoeding nauwelijks wordt toegekend.

Het (primaire) besluit

Het doel van het toekennen van een proceskostenvergoeding moge duidelijk zijn: de overheid dwingen een goed (primair) besluit te nemen. De veroordeling in de proceskosten dient als het ware als een stok achter de deur voor het bestuursorgaan. Het is naar mijn mening verbazingwekkend dat hieraan nauwelijks aandacht is besteed door zowel de kantonrechter, staatssecretaris Van Rij als de media. Wat men van de no-cure-no-paybureaus ook vindt, ze zijn enkel levensvatbaar bij de glorie van ondeugdelijke besluiten van overheidsinstanties. Dit blijkt overigens ook uit het in februari 2021 gepubliceerde WODC-rapport waarin rechters aangeven dat de juridische kwaliteit van (een deel van) de gemeenten beter kan. Zo zijn er volgende de rechters starre gemeenten ‘die een houding aannemen alsof zij de waarheid in pacht hebben, waardoor een zaak tot en beroep komt, terwijl dit door schikking of een heroverweging in de beslissing op bezwaar voorkomen had kunnen worden.’[7]

Neemt de overheid in eerste instantie een juist besluit of een voor de belanghebbende gunstig besluit[8], dan wordt de belanghebbende niet in het gelijk gesteld en wordt geen proceskostenvergoeding toegekend. Een oplossing voor het probleem dient dan ook aan de voorkant te worden gezocht door te kijken hoe het kan dat zoveel besluiten worden genomen die later geen stand houden. Wordt dit opgelost, dan is het snel gedaan met de no-cure-no-paybureaus.

Indien de oplossing volgens de wetgever toch ligt in het verlagen van de proceskostenvergoeding bij geringe inspanning, dient dit ook voor de andere kant van de medaille te worden geregeld. Er zijn namelijk veel procedures waarin door de belanghebbende een veelvoud aan proceskosten wordt gemaakt of waarin wordt afgezien van (verder) procederen omdat het niet (meer) te betalen is. Indien de belanghebbende in deze procedures in het gelijk wordt gesteld, krijgt hij ook slechts een forfaitaire vergoeding als doekje voor het bloeden. Dat doet afbreuk aan de rechtsbescherming. Het is naar mijn mening beter om de forfaitaire vergoeding af te schaffen en aan te sluiten bij een integrale vergoeding van de gemaakte kosten, begrensd door de redelijkheid en billijkheid. Dit zou veel discussies besparen.

[1] Rechtbank Den Haag 17 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3370.
[2] Telegraaf 8 maart 2023, ‘Huiseigenaren geschokt door hoge WOZ-taxaties: ‘makkelijk scoren door schuld bij bezwaarbureaus te leggen’.
[3] In Mulderzaken zijn artikel 7:28, lid 2,4 en 5 Awb en Bpb van overeenkomstige toepassing.
[4] Artikel 2, lid 1 sub a Bpb jo. Bijlage bij Bpb.
[5] Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.
[6] Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.
[7] Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), ‘Van beroep in bezwaar – Werkwijze en verdienmodel ‘no cure no pay’ bedrijven WOZ en BPM’, p. 91.
[8] Door bijvoorbeeld bij de waardebepaling van de WOZ-waarde altijd een marge (zoals een x-percentage van de totale waarde) in acht te nemen in het voordeel van de belanghebbende, wordt voorkomen dat de gebreken van het systeem voor rekening van de belanghebbende komt. Ook dit zou veel procedures voorkomen.

Gepubliceerd door onze specialist:

A.H.G.M. (Antoine) Blomen