Skip to content

Vaklunch #633: Het beroepsverbod: precisie vereist!

08 August 2025

De Hoge Raad heeft zich onlangs uitgesproken over de reikwijdte van het beroepsverbod als bijkomende straf. In deze zaak werd een verdachte veroordeeld voor grootschalige btw-fraude en het opzettelijk deponeren van onjuiste jaarrekeningen. Het hof legde, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, een beroepsverbod op: de verdachte mocht vijf jaar lang niet het beroep van ‘ondernemer, in of buiten rechtspersoonlijkheid’ én ‘bestuurder van een rechtspersoon’ uitoefenen. De vraag is of een dergelijk breed geformuleerd verbod toelaatbaar is.

Lees hier alvast een voorproefje:

De spagaat van het beroepsverbod. Eerder schreven we in #068, #183 en #314 al over het beroepsverbod: artikel 28 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat de rechter een veroordeelde kan ontzetten van het recht bepaalde beroepen uit te oefenen, mits het strafbare feit in de uitoefening van dat beroep is gepleegd en sprake is van een in de wet bepaald geval. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever terughoudendheid geboden acht: een beroepsverbod is een zware sanctie, bedoeld voor uitzonderlijke gevallen. Dit in combinatie met het gegeven dat het begrip ‘beroep’ niet nader is gedefinieerd in het Wetboek van Strafrecht, maakt dat het des te meer vragen oproept over hoe omgegaan moet worden met een beroepsverbod. Zolang de wet geen duidelijke definitie biedt en de parlementaire geschiedenis benadrukt dat het om een uitzonderlijk zware maatregel gaat, blijft het zoeken naar de juiste balans tussen speciale preventie en het waarborgen van rechtszekerheid voor de veroordeelde.

Lees de volledige Vaklunch hier: #633: Het beroepsverbod: precisie vereist!