Het ‘voorhanden hebben’-begrip blijft de gemoederen bezighouden in de wereld van de accijnswetgeving. Op 4 november 2025 verscheen het artikel van Roelof Vos en Ruben Scherpenisse waarin een overzicht werd gegeven van dit begrip in fiscaal- en strafrechtelijke jurisprudentie.[1] Sindsdien zijn evenwel alweer een aantal nieuwe lezenswaardige zaken verschenen. Tijd dus voor een update met een aantal lezenswaardige zaken van na het verschijnen van het hierboven genoemde artikel.
1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 december 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:7656)
In deze strafrechtelijke zaak ging het om een aantal verdachten die betrokken waren bij een illegale sigarettenfabriek in Acquoy (Gelderland). Er werden meerdere strafrechtelijke feiten ten laste gelegd waaronder het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid accijnsgoederen, die niet in de heffing waren betrokken.
Het Hof oordeelt hier volgens de tweetrapsraket die ook het Hof Den Bosch toepaste.[2] De eerste stap is dat dient te worden vastgesteld of sprake is van ‘voorhanden hebben’ in de zin van de Wet op de accijns. Dit wordt uitgelegd aan de hand van de Unierechtelijke maatstaf nu dit begrip afkomstig is uit een EU-richtlijn.
In de tweede stap oordeelt het Hof vervolgens of de verdachte dat voorhanden hebben opzettelijk heeft gedaan, in de zin dat de verdachte willens en wetens niet veraccijnsde goederen voorhanden heeft gehad, waarbij voorwaardelijk opzet als ondergrens heeft te gelden.
Het Hof komt tot het oordeel dat aan beide criteria wordt voldaan. Hiervoor acht het Hof de volgende feiten van belang:
- In de loods lagen accijnsgoederen (tabaksproducten) buiten een accijnsgoederenplaats en zonder accijnszegels; accijns was verschuldigd.
- Verdachte bevond zich midden in het productieproces en had dus evenals de medeverdachten toegang tot de sigaretten en betrokkenheid bij de goederen en productie.
- De talrijke afschermingsmaatregelen (isolatie, generatoren, geen telefoons, verhulde etiketten, afgelegen locatie, interne doorgang) maken dat verdachte wist, heeft moeten weten of in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat het om illegale productie en niet-veraccijnsde goederen ging.
2. Hof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:8460)
In deze fiscale zaak huurt de belanghebbende het ruim van een binnenvaartschip voor de opslag van meubels. In dit ruim ontdekt de politie een hennepkwekerij. De generatoren hiervoor draaien op rode diesel. Dit is diesel die valt onder een lager accijnstarief en alleen in het verleden onder specifieke voorwaarden gebruikt mocht worden (bijvoorbeeld de aandrijving van binnenvaartschepen). Sinds 2013 is de toepassing van rode diesel afgeschaft.[3] Belanghebbende stelt niets te weten van de kwekerij en de huurovereenkomst als katvanger te hebben getekend. De naheffingsaanslag accijns wegens het voorhanden hebben van de rode diesel is voor het Hof in geschil.
In tegenstelling tot de Rechtbank Noord-Nederland komt het Hof tot de slotsom dat geen sprake is van voorhanden hebben door belanghebbende. De Rechtbank sloot aan bij het bewijsvermoeden van de huurovereenkomst: een dergelijke overeenkomst geeft beschikkingsmacht over de huurruimte en dus ook over de goederen daarin. Het Hof achtte echter doorslaggevend dat belanghebbende geen fysieke beschikkingsmacht heeft gehad of heeft kunnen hebben over de rode diesel, omdat belanghebbende in werkelijkheid geen huurder was. Hij was enkel op papier huurder en was enkel als katvanger betrokken. Daarnaast acht het Hof ook relevant dat belanghebbende is vrijgesproken van betrokkenheid bij de hennepkwekerij. Ergo: zijn rol bestond enkel op papier hetgeen volgens het Hof onvoldoende was om tot het voorhanden hebben begrip te komen.
Dit oordeel van het Hof is toe te juichen aangezien het Hof aansluit bij de realiteit en het feit dat belanghebbende zelf geen feitelijke beschikkingsmacht heeft kunnen hebben over de diesel. Bij mij komt nog wel de vraag op of de inspecteur er niet beter aan had gedaan om subsidiair te stellen dat belanghebbende “betrokken was” bij het voorhanden van de rode diesel. Uit de wetsgeschiedenis is immers op te maken dat:
‘(…) dat ook een persoon, die niet de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft, maar wel betrokken is bij het voorhanden hebben van die goederen, als belastingplichtige kan worden aangemerkt. (…) Op grond van artikel 51, eerste lid, onderdeel b, van de wet kan de accijns dus ook worden geheven van bijvoorbeeld de handlangers van degene die accijnsgoederen feitelijk voorhanden heeft of van het brein achter een fraude.’[4]
Een katvanger lijkt namelijk sterk op een handlanger als in de hierboven aangehaalde passage. Echter, doordat de inspecteur dit standpunt niet heeft ingenomen, kon het Hof hieraan voorbijgaan en zal deze vraag onbeantwoord blijven.
3. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 december 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:8454)
In deze zaak exploiteerde een VOF een supermarkt waarin onder andere waterpijpen en kooltjes daarvoor werden verkocht. Tijdens een controle in 2023 door een gemeentelijke toezichthouder rent een medewerker via de achterdeur met een doos naar een auto naast de uitgang. In deze auto worden 18.360 sigaretten en 59,75 kilo waterpijptabak aangetroffen, deels zonder accijnszegel en deels met Duitse zegel. De inspecteur legt een naheffingsaanslag accijns op wegens het voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten.
De Rechtbank gaat niet mee in de stellingname van de VOF dat de auto reeds is verkocht, de goederen niet van haar zijn en dat de persoon op camerabeelden geen werknemer is. Dat laatste punt ging overigens voornamelijk om een gebrek aan bewijs dat belanghebbende kon leveren. Uit het proces-verbaal van de ambtenaar bleek immers dat het volgens de ambtenaar ging om een werknemer. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd die het tegendeel zouden bewijzen. De Rechtbank overweegt namelijk als volgt:
“De omstandigheid dat een werknemer van belanghebbende vanuit de supermarkt van belanghebbende naar de auto rende, die ook op naam van belanghebbende staat, maakt dat belanghebbende de sigaretten en waterpijptabak voorhanden had of in ieder geval betrokken was bij het voorhanden hebben van deze goederen. Niet van belang is of belanghebbende enig recht kon doen gelden met betrekking tot de sigaretten en waterpijptabak, of dat belanghebbende wist of redelijkerwijs had behoren te weten dat het ging om onveraccijnsde sigaretten en waterpijptabak. Ten aanzien van de stelling dat de auto reeds was verkocht overweegt de rechtbank dat dit, zo dit al het geval zou zijn, aan het voorgaande niets afdoet, nu belanghebbende nog steeds als houder van de auto geregistreerd was en belanghebbende nog feitelijk toegang had tot de auto en daarmee ook tot de sigaretten en de waterpijptabak. De auto was immers niet afgesloten en stond achter de supermarkt geparkeerd.”
Belangrijk om te zien is dat het in deze zaak wederom om een bewijskwestie lijkt te gaan. In fiscale zin: welk verhaal is aannemelijker, dat van de inspecteur of dat van belanghebbende. Nu belanghebbende geen stukken kon overleggen en daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat degene die wegrende met de doos naar de auto geen werknemer van haar was, is het te verklaren dat de rechtbank concludeert dat belanghebbende “in ieder geval betrokken was bij het voorhanden hebben van” de goederen.
Een vraag die nog wel bij mij opkomt is of die betrokkenheid ook de grondslag vormde voor de naheffingsaanslag of dat de Rechtbank dit als grondslag heeft aangevuld. Dat is namelijk niet helemaal uit de uitspraak te halen, maar heeft het Hof bijvoorbeeld in de eerste zaak hierboven niet gedaan.
Wat nog wel uit deze zaak duidelijk naar voren komt is dat de fiscaalrechtelijke horde een stuk lager ligt voor de inspecteur, omdat het wetenschapsvereiste hier niet relevant is in tegenstelling tot in het strafrecht.[5]
Nabrander
De rode draad uit de bovenstaande zaken is dat het in alle drie de zaken met name ging om een bewijskwestie. Dat laat zien dat ook de processtrategie, zowel in fiscale als in strafrechtelijke zaken primair hierop gericht dient te zijn. De kaders zijn immers, mede door Unierechtelijke jurisprudentie, vrijwel in beton gegoten. Daarmee is het lastiger om op het juridische te schieten.
Toch is het vanuit het perspectief van rechtsbescherming goed om te zien dat na de verzachting van de Hoge Raad in 2022 voor de ‘niet-wetende werknemer’ die binnen zijn dienstverband handelt het Hof nu een uitzondering toepast voor een katvanger. Beide categorieën personen vallen onder de juridische paraplu van het ‘willoze werktuig’ zoals dat uit het klassieke Melk en water-arrest volgde.[6] De Hoge Raad sneed de pas voor een strafrechtelijke veroordeling voor dit type personen al af in 1916. Het is goed om te zien dat de fiscale rechters – ondanks het harde uitgangspunt in de EU-richtlijn – nu eenzelfde beweging lijken te maken.
[1] R. Scherpenisse & R. Vos, ‘Het voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen: verweren gaan vaak in rook op’, WFR 2025/304.
[2] Hof ’s-Hertogenbosch 2 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2140.
[3] Wel heeft het demissionaire kabinet – op initiatief van de BBB – een herinvoering van de rode dieselregeling voor de landbouwsector onderzocht. De resultaten van dit onderzoek waren niet positief.
[4] Kamerstukken II 2008/09, 32 031, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 23.
[5] Zie ook voor meer duiding hierover: R. Scherpenisse & R. Vos, ‘Het voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen: verweren gaan vaak in rook op’, WFR 2025/304.
[6] Hoge Raad 14 februari 1916, ECLI:NL:HR:1916:BG9431.