Skip to content

#419: Vragen Belastingdienst over fiscale woonplaats?

01 September 2025

Een verhuizing naar Malta, Dubai, Cyprus of Monaco? Dan is de kans groot dat er op enig moment vragen op de mat vallen van de Belastingdienst over de (fiscale) woonplaats in het buitenland. De laatste maanden zien we een duidelijke trend: de Belastingdienst zet het woonplaatsonderzoek opnieuw flink in, waarbij een focus lijkt te liggen op emigratie naar de genoemde landen. Zelfs mensen die al jaren geleden geëmigreerd zijn, ontvangen vragen over hun woonplaats. De woonplaats is al lange tijden een hot topic in de fiscale praktijk en wij verwachten dat dat niet snel zal veranderen. Daarom bespreek ik in deze Hertoghs Beschouwt een aantal recente ontwikkelingen.

Evaluatie vaststelling fiscale woonplaats

De fiscale woonplaats wordt vastgesteld op basis van een open wettelijk begrip, vastgelegd in artikel 4 AWR. Er is een evaluatie gedaan naar woonplaatsonderzoeken, de regelgeving en of er aanpassingen gewenst zijn. Volgens de evaluatie heeft de Belastingdienst door de open wettelijke norm voldoende ruimte om alle feiten en omstandigheden mee te wegen in een onderzoek om zo tot maatwerk te komen. Ook wordt gesteld dat bij de uitvoering continu een balans wordt gezocht tussen enerzijds de zorgvuldige en efficiënte uitvoering door de Belastingdienst en anderzijds het perspectief van de burger en zijn rechtsbescherming.

Dat is echter helaas niet onze ervaring in de praktijk. De praktijk leert dat er eigenlijk alleen wordt gekeken naar de feiten en omstandigheden in Nederland en de rest buiten beschouwing wordt gelaten. Ook is er vaak sprake van een soort tunnelvisie. De conclusie uit de evaluatie is echter dat er momenteel geen aanleiding is om aanpassingen te doen in de wet- en regelgeving. Er is wel gesignaleerd dat de werkwijze bij het uitvoeren van onderzoeken uniformer dient te worden. Daarvoor is inmiddels een werkinstructie in het leven geroepen (zie hierna).

Rechtspraak

Eerder dit jaar concludeerde advocaat-generaal Koopman, net als in de evaluatie, dat het open normbegrip ‘woonplaats’ in art. 4 AWR recht doet aan de feitelijke situatie.[1] De discussie ging over een CFO die vanuit Monaco naar Nederland verhuisde en vanaf wanneer hij precies in Nederland woonachtig was. De rechtbank volgde hem en ging uit vanaf 18 april 2016. Het hof ging daar niet in mee en oordeelde dat hij al vanaf 1 januari 2016 in Nederland woonde, vanwege zijn duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Dit op basis van een woning in Nederland die niet werd verhuurd, verblijf in Nederland en de Nederlandse nationaliteit, ondanks dat er een verhuizing in april 2016 heeft plaatsgevonden van Monaco naar Nederland.

In cassatie stelde de CFO dat de open norm van artikel 4 AWR moet worden herijkt. A-G Koopman vindt dat met de open norm van artikel 4 AWR recht wordt gedaan aan de werkelijke situatie van een belastingplichtige en ziet geen redenen om de norm aan te passen. Zoals hiervoor gezegd, zien wij dat in de praktijk niet per se maatwerk wordt geleverd in woonplaatsdiscussies, maar de Belastingdienst vrij snel tot de conclusie komt dat er een woonplaats in Nederland is.

Ook heeft de rechtbank Den Haag een interessante uitspraak gedaan over een voetballer die zowel in Nederland als Duitsland aanwezig was.[2] Deze uitspraak zag op de toepassing van het belastingverdrag in woonplaatsdiscussies. Hoewel hij in beide landen banden had, wees de rechtbank op basis van het belastingverdrag uiteindelijk Duitsland als woonstaat aan. De reden daarvoor is dat de persoonlijke en economische omstandigheden het sterkst zijn met Duitsland. Daarvoor wordt o.a. gekeken naar de (familie)relaties, bezittingen, pinbetalingen, tandartsbezoeken en abonnementen in beide landen. Zelfs de opleiding van zijn vriendin in Nederland werd erbij betrokken door de inspecteur. Ondanks dat de voetballer nog vaste lasten betaalde en abonnementen had in Nederland, was dit voor de rechtbank onvoldoende om de band met Nederland als doorslaggevend te zien. Deze uitspraak kan een bruikbaar (en broodnodig) steuntje in de rug zijn in discussies met de Belastingdienst waarbij al snel de conclusie wordt getrokken dat iemand in Nederland woont.

Discussies over de woonplaats hangen vaak direct samen met discussies over de vestigingsplaats van een vennootschap. Ook dit zijn zeer feitelijke discussies. Recent heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden nog geoordeeld over de vestigingsplaats van een vennootschap.[3] De zaak ging over een vennootschap die naar Nederlands recht was opgericht en vervolgens was verplaatst naar Malta. Het Hof heeft geoordeeld dat de werkelijke leiding van de vennootschap niet in Nederland ligt. Van belang voor deze beoordeling is waar de kernbeslissingen worden genomen. Het hof oordeelde dat de beslissingen uiteindelijk worden genomen door de aandeelhouder van de vennootschap, die naar het Verenigd Koninkrijk is geëmigreerd. De werkelijke leiding ligt volgens het hof dus in het Verenigd Koninkrijk. Nederland kan daardoor geen belasting heffen over de dividenduitkering.

Ook al wordt een procedure over de woon- of vestigingsplaats bij de rechter gewonnen, het kost alsnog veel tijd en energie. Het zijn arbeidsintensieve trajecten die lang duren en een inbreuk zijn op iemands privacy. Er is dus veel aan gelegen om dit soort onderzoeken te voorkomen door een goede inrichting van een emigratie én een deskundige aanpak bij vragen van de Belastingdienst.

Werkinstructie Belastingdienst

Voor woonplaatsonderzoeken is de nieuwe werkinstructie van de Belastingdienst bij woonplaatsonderzoeken van belang. Zie ook onze Hertoghs Beschouwt daarover. In de praktijk zien we dat de Belastingdienst deze instructie inmiddels toepast. Onderdeel daarvan is dat de zaak wordt afgestemd met het opgerichte expertisecentrum woonplaatsonderzoeken, dat valt onder de Coördinatiegroep Constructiebestrijding.

Dat het team voor woonplaatsonderzoek is ondergebracht bij de constructiebestrijdingsgroep zegt wat mij betreft al genoeg en geeft ook direct een beeld hoe inspecteurs dit soort onderzoeken aanpakken. Dat er inmiddels een werkinstructie is die de inspecteurs (moeten) volgen, betekent dus geenszins dat een woonplaatsonderzoek nu ook daadwerkelijk minder impact zal hebben of sneller zal kunnen worden afgerond. Het blijven lastige trajecten.

Vragen van de Belastingdienst over woonplaats?

Als de Belastingdienst vragen stelt over de woonplaats, raden wij aan om op een vroeg moment een fiscaal expert/jurist in te schakelen. Een goede analyse en strategie zijn van belang. Vaak worden de vragen beantwoord met de overtuiging dat er geen enkele twijfel over de woonplaats mogelijk is, maar de Belastingdienst blijft doorgaans vasthoudend en komt telkens met vervolgvragen. Daarbij trekt de Belastingdienst snel de conclusie dat sprake is van een woonplaats in Nederland, ongeacht wat de belastingplichtige inbrengt. Soms baseert de Belastingdienst dit oordeel slechts op enkele aanknopingspunten, zoals achtergebleven familie in Nederland of de Nederlandse nationaliteit, waardoor het lijkt alsof emigratie in de ogen van de Belastingdienst vrijwel onmogelijk is. Dat kan niet de bedoeling zijn. Het is daarom van belang dit soort discussies met de Belastingdienst gedegen aan te pakken.

De vraag is dan hoe verder te gaan in zo’n proces met als doel dit zo snel mogelijk te beëindigen en verdere discussies te voorkomen. Het is daarom goed om iemand in te schakelen die hierover kan adviseren, zodat dit traject van begin af aan in goede banen kan worden geleid. Neem bij twijfel of vragen gerust contact op met onze experts om dit te overleggen.

Meer lezen over fiscale woonplaats of woonplaatsonderzoeken van de Belastingdienst? Lees here dan verder.

 

[1] Conclusie A-G Koopman 25 april 2025, 24/03206, ECLI:NL:PHR:2025:500
[2] Rechtbank Den Haag 20 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6307.
[3] Hof Arnhem-Leeuwarden 11 maart 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1432.

Gepubliceerd door onze specialist:

M.N.H. (Milou) Hintzen