Skip to content

#365 Het werkelijk rendement wint ook van de Wet rechtsherstel box 3

10 June 2024

Het EK en de Olympische Spelen moeten nog beginnen, maar gelet op de krantenkoppen lijkt het eerste succes voor Nederland al binnen: de Hoge Raad haalt ook een streep door het rechtsherstel voor box 3! Wat is de impact hiervan op het werkelijk rendement? 

Met een grootse aankondiging en zelfs bij hoge uitzondering een livestream bij de Hoge Raad, kunnen we er niet omheen: op 6 juni 2024 wees de Hoge Raad een vijftal belangwekkende arresten [1] over de box 3-heffing. De HR heeft een breed arrest gewezen en vele handvatten voor de praktijk gegeven. De Hoge Raad oordeelde dat ook de box 3-heffing in de Herstelwet en de Overbruggingswet in strijd is met het eigendomsrecht in combinatie met het discriminatieverbod, voor zover een belastingplichtige geconfronteerd wordt met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk rendement. Hoe groot dat verschil is, is niet van belang.

Nadat het stof enigszins is neergedaald, vragen wij ons af of de financiële gevolgen voor de schatkist wel zo groot zijn als in de media wordt voorgespiegeld. De Hoge Raad heeft namelijk geoordeeld dat het rendement op het gehele vermogen in box 3 moet worden vergeleken met het forfaitaire rendement. Wij vermoeden dat vooral voor de belastingplichtigen die onroerend goed in box 3 bezitten dit arrest beperkte gevolgen zal hebben. Wij gaan in deze Hertoghs Beschouwt dan ook met name in op het werkelijk rendement.

Rechtsherstel

Als het forfaitaire voordeel uit sparen en beleggen hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, is er sprake van een schending. In dat geval dient compensatie plaats te vinden door alleen belasting te heffen over het werkelijk behaalde rendement.

Met deze arresten ontstaat nu de situatie waarin maximaal over het forfaitair rendement conform de Herstelwet belasting wordt geheven en indien voordeliger voor een belastingplichtige over het werkelijk rendement wordt geheven. Zolang er geen nieuwe wetgeving is, geldt heffing over het werkelijk rendement alleen als het voordelig uitpakt voor een belastingplichtige. Voor een succesvolle belegger geldt dan conform het legaliteitsbeginsel de heffing op basis van de forfaitaire regeling als maximum.

Stelplicht bij belastingplichtige

Voor zowel de beoordeling of een schending heeft plaatsgevonden als voor de berekening van het rechtsherstel is het werkelijk rendement het uitgangspunt. Als de belastingplichtige meent dat zijn werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement dan dient hij die stelling in te nemen.

Een belastingplichtige dient feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken wat de omvang is van het werkelijk rendement. Het gaat dan om het werkelijk rendement over het gehele vermogen in box 3. Dus niet slechts voor één categorie, zoals een aandeel in een VVE of een beleggingsportefeuille.

Handvatten voor vaststellen werkelijk rendement

De belastingplichtige zal dus moeten gaan rekenen. De Hoge Raad heeft handvatten gegeven voor de vaststelling van het werkelijk rendement. De HR volgt daarbij grotendeels het advies van A-G Pauwels en sluit zo veel mogelijk aan bij het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogen stond.[2] Kort samengevat geldt volgens de HR het volgende:

  • Het werkelijk rendement betreft het rendement over het gehele vermogen van de belastingplichtige in box 3 (dus inclusief spaargelden);
  • Het gaat om het werkelijk rendement over de gehele heffingsgrondslag, dus zonder aftrek van het heffingsvrij vermogen;
  • Het werkelijk rendement betreft niet enkel het rendement over vermogen op de peildatum, maar ook op vermogensbestanddelen die een belastingplichtige door het jaar heen heeft gehad;
  • Voor het werkelijk rendement wordt geen rekening gehouden met inflatie;
  • Het werkelijk rendement wordt per kalenderjaar bepaald, met positieve of negatieve rendementen in andere jaren wordt geen rekening gehouden;
  • Het werkelijk rendement omvat voordelen die worden getrokken uit vermogensbestanddelen (rente, dividend, huur e.d.) én ongerealiseerde positieve en negatieve waardeveranderingen van de vermogensbestanddelen;
  • Er wordt geen rekening gehouden met kosten, wel met de renten op schulden;
  • De vaststelling van het werkelijk rendement werkt ook door naar bezittingen in het buitenland en het daarvoor geldende Besluit ter voorkoming van dubbele belasting.

Werkelijk rendement omvat ongerealiseerde positieve en negatieve waardeveranderingen

Met name het oordeel van de Hoge Raad dat het werkelijk rendement ongerealiseerde positieve en negatieve waardeveranderingen van de vermogensbestanddelen omvat, trekt onze aandacht.  Dit oordeel van de Hoge Raad strookt met de bedoeling van de wetgever en kunnen wij in zoverre volgen, omdat de Hoge Raad aansluit bij hetgeen de wetgever voor ogen stond.

In tegenstelling tot het concept wetsvoorstel box 3 waarin voor onroerende zaken en bepaalde aandelen een uitzondering is opgenomen op het voorgestelde regime van een vermogensaanwasbelasting door uit te gaan van een vermogenswinstbelasting, lijkt de Hoge Raad geen uitzonderingen te maken. Overigens wijkt het conceptvoorstel op meer punten af van de hiervoor genoemde uitgangspunten van de Hoge Raad, bijvoorbeeld op het punt van de kosten.  We gaan zien of de arresten van 6 juni 2024 tot wijzigingen van het voorstel gaan leiden.

Voor nu is een relevante vraag op welke wijze de waardeverandering moet worden bepaald. Het ligt naar ons idee voor de hand dat voor het bepalen van de waardevermeerdering of -vermindering gekeken moet worden naar de waarde van de box 3-vermogensbestanddelen aan het begin en aan het eind van het kalenderjaar. De peildata 1 januari én 31 december worden daarmee weer relevant.

Wat ons verder opvalt, is dat geen rekening wordt gehouden met kosten terwijl bijvoorbeeld bij onroerend goed huurinkomsten naast de waardestijging wél onder het werkelijk rendement vallen. De Hoge Raad verwijst naar de Nota naar aanleiding van het Verslag bij het Belastingplan 2016[3] waarin staat dat voor aandelen en obligaties is afgezien van kosten. Voor onroerend goed is in diezelfde Nota naar aanleiding van het Verslag vermeld dat enkel rekening wordt gehouden met waardestijgingen en niet met huurinkomsten, waardoor het saldo van inkomsten en kosten als nihil wordt verondersteld.

De Hoge Raad komt echter tot de slotsom dat huurinkomsten én waardeveranderingen worden meegenomen bij het vaststellen van het werkelijk rendement en kosten niet, behoudens rentekosten. De redenering uit de Nota naar aanleiding van het Verslag dat het saldo van lopende inkomsten en kosten voorzichtigheidshalve nihil wordt verondersteld, gaat in dat geval niet op. De Hoge Raad wijkt op dit punt ook af van de Conclusie van A-G Pauwels.

Rendement op gehele vermogen

Doordat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het werkelijke rendement op het gehele vermogen in aanmerking moet worden genomen is cherry picking niet mogelijk. Bij de onfortuinlijke belegger met daarnaast onroerend goed dat in waarde is gestegen zal dan ook niet in alle gevallen een schending worden geconstateerd. Rechtsherstel is dan niet aan de orde. De berichten in de media over miljarden tekorten voor de schatkist kunnen wij uiteraard niet beoordelen. Wel hebben wij het vermoeden dat de tekorten voor de schatkist mee kunnen vallen vanwege de totaalbenadering die de Hoge Raad kiest.

Voor de praktijk is het uiteraard ook relevant hoe het werkelijk rendement bij cryptovaluta moet worden bepaald. Gelet op de sterke fluctuatie van cryptovaluta is het überhaupt de vraag of belastingheffing op een peildatum wenselijk is. De waarde van deze ‘vermogensbestanddelen’ fluctueert sterk waardoor dit in het ene jaar tot geen box 3-heffing kan leiden (mits geen andere vermogensbestanddelen) en in het andere jaar tot een heffing volgens het forfait. De Hoge Raad heeft dergelijke situaties in r.o. 5.4.6 en 5.4.7 ook benoemt, maar ziet daarin onvoldoende grond om af te wijken van de aansluiting bij de bedoeling van de wetgever waarbij geen rekening wordt gehouden met andere jaren.

Actie vereist?

Voor nu is het afwachten waar demissionair staatssecretaris Van Rij mee komt. Hij verwacht zo’n acht weken nodig te hebben en geeft aan dat belastingplichtigen niks hoeven te doen. Momenteel houdt de Belastingdienst de definitieve aanslagen inkomstenbelasting vanaf 2021 met box 3-inkomen met vermogensbestanddelen anders dan bank- en spaartegoeden ook aan.

Het zal echter aan de belastingplichtigen zijn om een berekening van het werkelijk rendement te maken en deze met bescheiden te kunnen onderbouwen. Eerder is aangegeven dat de Belastingdienst de belastingplichtige daarvoor de mogelijkheid biedt met het formulier ‘opgaaf werkelijk rendement’.

Vragen? Wij denken uiteraard graag met u mee. Neem contact op met Diede Molenaars  or Angelique Perdaems.

 

[1] HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704; HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705; HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:771; HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:756; HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:813.
[2] Bijlage bij Conclusie A-G Pauwels van 9 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1.
[3] Kamerstukken II 2015/16, 34 302 nr. 11, blz. 37.

Gepubliceerd door onze specialist:

D.C. (Diede) Molenaars

A.J.C. (Angelique) Perdaems