Skip to content

Werknemer heeft recht van bezwaar tegen aan werkgever opgelegde naheffingsaanslag loonheffingen. Annotatie NTFR 2016/2337

22 September 2016

Ter zake van aan belanghebbende betaalde bonussen heeft de inspecteur met dagtekening 26 februari 2014 aan de werkgever van belanghebbende (een bv) een naheffingsaanslag LB/PVV 2008 opgelegd. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar aangetekend. De inspecteur en Rechtbank Gelderland (16 juli 2015, nr. 14/6519) hebben dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende geen belanghebbende zou zijn in de zin van art. 26a AWR. Volgens het hof is die visie echter onjuist. Het hof stelt voorop dat het hier niet gaat om naheffing van eindheffingsbestanddelen. Er is namelijk sprake van een situatie van verhaalde loonheffing. Bij een dergelijke situatie is sprake van een eigen, uit de belastingwet voortvloeiende verplichting van de werknemer. De op belanghebbende verhaalde loonheffing dient volgens het hof te worden aangemerkt als te zijn ingehouden in de zin van art. 26a, lid 1, onderdeel b, AWR. Nu ten aanzien van de aan de werkgever opgelegde naheffingsaanslag voor belanghebbende sprake is van een eigen, uit de wet voortvloeiende verplichting, heeft hij volgens het hof het recht om – naast de werkgever – tegen de naheffingsaanslag het rechtsmiddel van bezwaar aan te wenden. De niet-ontvankelijkverklaring is derhalve niet terecht. Inhoudelijk is het hof van oordeel dat de naheffingsaanslag, nu deze buiten de vijfjaarstermijn is opgelegd, dient te worden vernietigd.

Lees verder.

Gepubliceerd door onze specialist:

A.A. (Anke) Feenstra