Over de suppletieplicht ex art. 10 AWR Algemene wet inzake rijksbelastingen () jo. art. 15 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (UBOB) blijft jurisprudentie verschijnen. De werking van deze artikelen blijft namelijk onduidelijk, waardoor een gang naar de rechter vaak de aangewezen route is voor de belastingplichtige.
In BTW-bulletin 2018/60 werd door Ron Jeronimus en Roelof Vos drie jaar geleden al gesignaleerd dat het toepassingsbereik van de suppletieplicht, gelet op de bestaande onduidelijkheid, wel eens zeer beperkt kon zijn. Juist daarom werd destijds reeds gepleit om de verplichte suppletie af te schaffen. Drie jaar later (b)lijkt nog steeds onduidelijkheid te bestaan over het toepassingsbereik van de suppletieplicht. De op 24 september 2021 verschenen uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:1351) geeft weliswaar enig inzicht in de relatie tussen de suppletieplicht en de beboeting/strafrechtelijke vervolging, maar biedt helaas geen helder antwoord op de vraag of de verplichting als zodanig in strijd is met het nemo-teneturbeginsel, noch over de vele andere onbeantwoorde vragen.
Wij vragen ons in dit kader af of art. 10 AWR jo. art. 15 UBOB voor belastingplichtigen wel te overzien is. Met andere woorden: kunnen belastingplichtigen wel worden beboet nu deze wetgeving nog steeds niet duidelijk is? Wat ons betreft dient die vraag negatief te worden beantwoord en is het tijd om een streep door deze onduidelijke wetgeving te zetten en terug te gaan naar de vrijwillige suppletie.