Spring naar content
Expertises

Oplichting

Niet alleen valsheid in geschrift en witwassen behoren in fraudezaken tot het standaard arsenaal van het Openbaar Ministerie, inmiddels zien we ook het verwijt van oplichting of verduistering steeds vaker voorbijkomen. Sommige zaken bevinden zich op de grens tussen verduistering en oplichting. Dat maakt het extra complex. En de belangen zijn vaak groot.

 

Oplichting

Bij oplichting gaat het er in de kern om dat voordeel wordt behaald door een ander te misleiden. Dat voordeel bestaat uit het onrechtmatig verkrijgen van een voorwerp of geld door middel van een oplichtingshandeling.

Of sprake is van strafbare oplichting is niet in iedere zaak meteen duidelijk. De jurisprudentie over dit onderwerp is erg casuïstisch. En dat is niet verwonderlijk. Of sprake is van oplichting is typisch zo’n vraag die ‘afhankelijk is van de omstandigheden van het geval’. Een enkele leugen of een enkele misleidende handeling is in ieder geval niet voldoende om van oplichting te kunnen spreken. Ook het niet-nakomen van een overeenkomst is geen oplichting. Dat is een civielrechtelijke kwestie (“wanprestatie”).

Voor oplichting moet sprake zijn van één van de oplichtingsmiddelen uit artikel 326 Sr, namelijk een samenweefsel van verdichtsels, listige kunstgrepen of het aannemen van een valse naam of hoedanigheid. Volgens de Hoge Raad[1] geldt als belangrijk gemeenschappelijk kenmerk van de verschillende oplichtingsmiddelen dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen, teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. Het is dan aan de verdediging om kritisch te beoordelen of er daadwerkelijk sprake is van oplichting.

Bovendien moet het slachtoffer van de oplichting door het oplichtingsmiddel zijn bewogen tot de afgifte van enig goed. Dit betekent dat er een causaal verband moet bestaan tussen de oplichtingshandelingen en het afgeven van het voorwerp of het geld. Dit is bijzonder feitelijk van aard, waarbij de rol van het slachtoffer een doorslaggevende factor vormt. Want wanneer wordt het slachtoffer ‘bewogen tot afgifte van een goed’? En wanneer had het slachtoffer ‘beter moeten weten’? Had hij bijvoorbeeld nader onderzoek moeten doen, of alerter moeten zijn? Hier liggen voor de verdediging – zeker in een tijd waarin de verdenking van oplichting aan populariteit wint bij het Openbaar Ministerie – kansen.

Verduistering

Bij verduistering wordt een voorwerp of geld wel rechtmatig verkregen, maar eigent de verdachte zich dit daarna wederrechtelijk toe. Voor verduistering moet dus naast een wederrechtelijke toe-eigening van het goed ook komen vast te staan dat het goed anders dan door misdrijf in de beschikkingsmacht van de verdachte is gekomen. Voor de verdediging is het belangrijk om met name op dit laatste bestanddeel, en de volgtijdelijkheid daarvan, alert te blijven.

Opgelicht en verduisterd?

Oplichting en verduistering lijken elkaar op het eerste oog uit te sluiten. Toch heeft de Hoge Raad bepaald dat in concrete omstandigheden oplichting en verduistering naast elkaar kunnen bestaan.[2]

Heeft u te maken met een verdenking van oplichting en/of verduistering ? Neem dan gerust contact met ons op. Onze specialisten helpen u graag verder.

[1] HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892.
[2] HR 10 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5575.

In een notendop

Oplichting
Verduistering
Financiele fraude

Gerelateerd

Neem contact op met onze specialisten

Mr. J.N. (Judith) de Boer

Mr. G.M. (Mariëlle) Boezelman

Mr. L.M. (Luce) Smithuijsen

Mr. J.R.J. (Judith) Gijsen

Kennisartikelen over dit onderwerp

Wederrechtelijk toe-eigenen ≠ verduisteren. Vaklunch.nl #490

Verduisteren kan alleen als de verdachte het goed “anders dan door misdrijf” onder zich had. Aan de hand…

Lees meer