Spring naar content
Expertises

Vestigingsplaatsonderzoek

Door de digitalisering van de samenleving ontstaan steeds vaker discussies over de vestigingsplaats van een vennootschap. Of een vennootschap in Nederland is gevestigd, hangt af van de feiten en omstandigheden. In dat kader vormt de plaats van de werkelijke leiding een belangrijke omstandigheid. Waar de werkelijke leiding wordt uitgeoefend, wordt bepaald door middel van een vestigingsplaatsonderzoek. Dat is vaak een complex onderzoek met verstrekkende gevolgen.

Het vestigingsplaatsonderzoek

Regelmatig zien we dat de Belastingdienst de link tussen een buitenlandse vennootschap en een inwoner van Nederland gebruikt om te stellen dat een buitenlandse vennootschap in Nederland is gevestigd en dan hier belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting. Wanneer dit vermoeden er is, start de inspecteur een zogenaamd ‘vestigingsplaatsonderzoek’.

Vaak wordt dan een vragenbrief aan de betreffende vennootschap verzonden, waarin diens gehele administratie, inclusief alle e-mails, wordt opgevraagd. Daarbij is oplettendheid geboden, omdat een dergelijk verzoek nog al eens verder strekt dan de reikwijdte van de fiscale informatieplicht van de vennootschap. Zo mogen niet alle e-mails worden gevraagd en mag er geen sprake zijn van een zogenaamde ‘fishing expedition’. Een verzoek van de inspecteur moet bepaalbaar en evenredig zijn. Alertheid is tevens geboden, omdat een vennootschap, die meent niet in Nederland te zijn gevestigd, ook de stelling kan innemen dat hij (gedeeltelijk) niet hoeft te voldoen aan de informatieverplichtingen.

Belang van kernbeslissingen bij vestigingsplaatsonderzoek

Het vestigingsplaatsonderzoek stelt de inspecteur in staat om aan de hand van alle feiten en omstandigheden te beoordelen of de vennootschap in Nederland is gevestigd (artikel 4 AWR). De plaats waar werkelijk leiding wordt gegeven, is een belangrijke omstandigheid.[1] Het gaat er met name om wie de kernbeslissingen neemt en waar die worden genomen.[2]

Allereerst moet worden vastgesteld wat de kernbeslissingen van de onderneming zijn. Dat is afhankelijk van de core business van het bedrijf. Het uitoefenen van de dagelijkse leiding is in ieder geval geen kernbeslissing.

Vervolgens moet worden bepaald wie bevoegd is om de kernbeslissingen te nemen. Die bevoegdheid an sich is niet doorslaggevend, omdat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een adviseur ook kernbeslissingen voor zijn klant kan nemen.[3] Het gaat er dan ook met name om wie feitelijk de kernbeslissingen neemt.

Als vaststaat wie de kernbeslissingen heeft genomen, moet ten slotte worden bepaald waar deze zijn genomen. In veel gevallen blijft dit laatste lastig om vast te stellen, omdat door de digitalisering van de samenleving ondernemers waar dan ook ter wereld kunnen werken (en kernbeslissingen kunnen nemen) door simpelweg de laptop open te slaan.

De bewijslast van de inspecteur

Het ligt dan ook op de weg van de inspecteur om op een gedegen wijze te onderbouwen dat een vennootschap in Nederland is gevestigd. In de praktijk zien we echter dat de inspecteur met (te) magere stellingen dat standpunt inneemt. Als bijvoorbeeld een aandeelhouder in Nederland woont dan is dat al vaak voor de inspecteur voldoende om te stellen dat kernbeslissingen door hem in Nederland worden genomen. Het is dan ook belangrijk om hier kritisch op te zijn.

Gevestigd in twee staten: wat nu?

Indien uit het vestigingsplaatsonderzoek zou volgen dat de vennootschap in twee landen is gevestigd dan kan tegenwoordig ook het multilateraal instrument (MLI) een rol spelen bij het vaststellen van de belastingheffing en het voorkomen van dubbele heffing. In een dergelijk geval wordt in een onderlinge overlegprocedure tussen de betreffende twee staten bepaald waar de vennootschap is gevestigd om dubbele heffing te voorkomen.

Heeft u een discussie met de Belastingdienst over de fiscale vestigingsplaats? Of heeft u vragen over het multilateraal instrument? Dan helpen wij u graag verder.

 

[1] HR 23 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5105, BNB 1993/193.
[2] HR 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:47 en HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1044.
[3] HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1044.

In een notendop

Vestigingsplaatsonderzoek

Belang van kernbeslissingen

Bewijslast van de inspecteur

Gevestigd in twee staten: wat nu?

Gerelateerd

Neem contact op met onze specialisten

Mr. A.A. (Anke) Feenstra

Mr. A.J.C. (Angelique) Perdaems

Kennisartikelen over dit onderwerp

#238 De doos van Pandora: vestigingsplaatsonderzoeken in aantocht?

Regelmatig komen documenten van trustkantoren op straat te liggen. Dat leidt tot smeuïge krantenberichten over politici en showbizz-sterren….

Lees meer

#196 De fiscale informatieplicht: it’s over when it’s over

In de praktijk zien we steeds meer woon- en vestigingsplaatsonderzoeken in de strijd tegen belastingontwijking. De centrale vraag…

Lees meer

Rechtsbescherming bij vestigingsplaatsonderzoeken. WFR 2019/246

De digitalisering en globalisering hebben tot gevolg dat de vestigingsplaats van vennootschappen volop ter discussie wordt gesteld door…

Lees meer