Skip to content

#116 Pijnlijke nederlaag OM

20 mei 2019

Het OM heeft in een civiele procedure (wederom) een pijnlijke nederlaag geleden tegen advocaten van een vermogensbeheerder. De advocaten hadden bewijsbeslag gelegd op e-mails, die in een strafrechtelijk onderzoek tegen de vermogensbeheerder, op vordering van het OM in beslag waren genomen door de FIOD. Het OM vorderde in een civiel kort geding de opheffing van het bewijsbeslag. De voorzieningenrechter wees de vordering af. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft het hoger beroep van het OM bij arrest van 14 mei 2019 grotendeels afgewezen. Het bewijsbeslag van de advocaten hoeft volgens het hof niet te worden opgeheven.

Het arrest van het hof laat zien dat het civiele procesrecht een interessant wapen kan zijn voor de verdediging in strafzaken.

Voorgeschiedenis (in een notendop)

Tegen de vermogensbeheerder en diens bestuurders loopt al langer een strafrechtelijk onderzoek, onder leiding van het Functioneel Parket in ’s-Hertogenbosch. In het kader van dat strafrechtelijk onderzoek heeft de officier van justitie de uitlevering gevorderd van digitale gegevens. In totaal zijn ongeveer 2 miljoen digitale items uitgeleverd. Daaronder bevonden zich e-mails aan de advocaten van de verdachte en aan de accountant. De advocaten beriepen zich op het (afgeleid) verschoningsrecht. Het klaagschrift tegen de inbeslagneming werd gegrond verklaard (art. 552a Sv). De strafrechter oordeelde dat de stukken die bij het accountantskantoor in beslag waren genomen, als geheimhouderstukken dienden te worden aangemerkt, en gelastte de teruggave van deze stukken aan de advocaten. Het door het OM ingestelde cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank werd ingetrokken.

Conservatoir bewijsbeslag

Nadien is door advocaten van de vermogensbeheerder conservatoir bewijsbeslag gelegd ten laste van de Staat der Nederlanden, waartegen door de Staat werd opgekomen bij de voorzieningenrechter, die oordeelde dat het bewijsbeslag niet behoefde te worden opgeheven. In hoger beroep blijft dat oordeel in stand.

Het hof stelt voorop dat het op de weg van de beslagene ligt, aannemelijk te maken dat de vordering van de beslaglegger ondeugdelijk is of dat het beslag onnodig is, en dat bij de beoordeling de wederzijdse belangen van partijen zullen worden afgewogen.

Strijd met Wpg enWjsg?

De Staat had onder meer gesteld dat het bewijsbeslag in strijd is met het gesloten verstrekkingsregime van de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Volgens het (voorlopig) oordeel van het hof staat de Wpg echter niet aan het bewijsbeslag op geprivilegieerde gegevens niet in de weg. Dat geldt volgens het hof ook voor de Wjsg.

Eigen belang advocaat?

De Staat stelde zich ook op het standpunt dat een inbreuk op het verschoningsrecht weliswaar in strijd kan zijn met het algemeen belang, en individuele belangen van een verdachte, maar dat het verschoningsrecht niet strekt tot bescherming van een eigen belang van de advocaat. Ook die stelling wordt door het hof verworpen. Het hof oordeelt dat het schadelijk kan zijn voor de vertrouwensrelatie tussen advocaten en hun cliënten als vertrouwelijke informatie bij derden terecht komt, en dat dat ook de eigen belangen van de advocaten raakt. Schending van het verschoningsrecht belemmert de advocaat immers bij de uitoefening van de werkzaamheden van de advocaten. Daarom mogen advocaten daartegen voor zichzelf opkomen.

Vrees voor verduistering?

Verder had de Staat gesteld dat het bewijsbeslag van de advocaten onnodig is, omdat er niet voor hoeft te worden gevreesd dat de beslagen gegevens verloren zullen gaan. Ook dit standpunt wordt niet door het hof gehonoreerd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat is komen vast te staan dat het verschoningsrecht in meerdere opzichten is geschonden, aangezien een aantal e-mails die onder het verschoningsrecht vallen, aan het opsporingsteam zijn verstrekt dat zich met de behandeling van de strafzaak bezighield. De Staat stelde dat dat een gevolg was van menselijke fouten, maar de advocaten van de vermogensbeheerder vermoeden dat opzet in het spel is. Het bewijsbeslag biedt aan de advocaten de mogelijkheid, aldus het hof, de betreffende digitale gegevens veilig te stellen voor nader onderzoek. Het hof merkt nog op dat de officier van justitie op grond van de wet, namelijk het bepaalde in art. 126aa, lid 2 Sv, gehouden is geheimhoudersinformatie te vernietigen. Ook dat is reden voor het hof om aan te nemen dat het beslagen materiaal vernietigd kan worden, zodat het bewijsbeslag gehandhaafd dient te blijven. Het OM krijgt hier als het ware een koekje van eigen deeg. De stelling was immers dat er niet voor behoefde te worden gevreesd dat het beslagen materiaal verloren zouden gaan, terwijl de wet nu juist vernietiging van dat materiaal voorschrijft.

Stellen van vragen als alternatief?

De Staat stelde in hoger beroep voorts dat het bewijsbeslag onnodig was, omdat de advocaten van de vermogensbeheerder toch ook gewoon konden vragen om de informatie die zij wilden. Deze grief wordt door het hof afgewezen. De motivering die het hof daarvoor gebruikt, maakt het arrest nogal pijnlijk voor de Staat (OM c.q. FIOD). Het hof overweegt namelijk dat de Staat meermaals heeft moeten erkennen dat eerder gegeven antwoorden op gestelde vragen, onjuist bleken. Dat geldt voor de zogenoemde “I.R.S.-brief”, waarin beschuldigingen aan het adres van de vermogensbeheerder waren geuit. De Staat had de authenticiteit van deze brief eerder bevestigd, maar die authenticiteit bleek later onjuist. Ook de mededelingen van de Staat over het verstrekken van geheimhoudersinfomatie aan het onderzoeksteam, waren onjuist gebleken. Het hof overweegt: “Hiermee is niet gezegd dat de Staat opzettelijk onjuiste antwoorden heeft gegeven op gestelde vragen, maar wel dat het stellen van vragen niet steeds een garantie geeft op het krijgen van correcte antwoorden.” Het bewijsbeslag geeft de advocaten meer zekerheid over het boven water komen van de gang van zaken aldus het hof. Dat is nogal wat. Het hof houdt er met andere woorden rekening mee dat de Staat onjuist antwoord geeft op gestelde vragen. De Staat wordt door het hof niet op zijn woord geloofd.

Mogelijkheden in strafzaak?

De Staat had opgeworpen dat de (gepretendeerde) schending van het verschoningsrecht ook in de strafzaak zelf aan de orde kan worden gesteld. Het hof oordeelt dat dit betoog onvoldoende is onderbouwd. Daarbij overweegt het hof verder nog dat het belang van de advocaten van de vermogensbeheerder verder reikt dan het gebruik van geheimhoudersinformatie in de strafzaak tegen de vermogensbeheerder. Aangevoerd was in dat kader dat de advocaten ook belang hadden bij een verbod voor de Staat om het verschoningsgerechtigde materiaal in andere onderzoeken te gebruiken. Daarbij is er op is gewezen dat de geheimhoudersofficier die het materiaal heeft beoordeeld, ook zaaksofficier is in een ander dossier, en dat deze officier bij zijn beoordeling had aangegeven dat het materiaal betrekking heeft op een ander met name genoemd dossier. Ook hier lijkt het hof te twijfelen aan de integriteit van de geheimhoudersofficier, tevens zaaksofficier, in een ander dossier.

Wordt vervolgd?

Een van de grieven van de Staat luidde dat het als gevolg van bewijsbeslag niet mogelijk was de strafzaak op korte termijn voor de rechter te brengen. Ook hier maakt het hof korte metten mee, onder meer omdat niet aannemelijk is gemaakt dat het OM de strafzaak op korte termijn voor de strafrechter zal brengen. Er is kennelijk afgesproken dat eerst nog een regiebijeenkomst voor de rechter-commissaris zou plaatsvinden om onderzoekswensen op te geven.

Tot besluit

Het besproken arrest van het hof en de daaraan gerelateerde andere civiele procedures laten zien, dat het civiele recht goede mogelijkheden kan bieden om verdedigingsrechten buiten het strafrecht om te effectueren. Dat is op zichzelf genomen winst. Ongetwijfeld zal aan het oordeel van de voorzieningenrechter hebben bijgedragen dat de Staat (OM c.q. FIOD) in dezen dubieus lijken te hebben gehandeld. Op sympathie hoeft de Staat (in deze zaak) niet meer te rekenen.