Skip to content

#117 Beoordelen inkeermeldingen is maatwerk

27 mei 2019

In de jacht op zwartspaarders heeft de Belastingdienst de afgelopen jaren rechtstreeks informatie opgevraagd omtrent Nederlandse rekeninghouders bij de Zwitserse banken UBS, Credit Suisse, Julius Bär en BNB Paribas. Daarnaast heeft de Belastingdienst via de Duitse fiscus informatie gekregen over Nederlandse rekeninghouders bij de Luxemburgse Banque et Caisse d’Epargne. Wanneer rekeninghouders van een van die banken zich melden, wordt een beroep op de inkeerregeling door de Belastingdienst in beginsel afgewezen. Als gevolg van berichtgeving over de informatieverzoeken, van de bank zelf of in de media, vindt de Belastingdienst namelijk dat de belastingplichtige vanaf dat moment moet vermoeden dat de inspecteur hem “op het spoor is” en met zijn onjuiste aangiften bekend zal worden. In een aantal gevallen is die zienswijze door de rechter bevestigd. Wij schreven eerder echter al dat de beoordeling of sprake is van een geldige inkeermelding telkens afhankelijk is van de specifieke omstandigheden van het geval. Dat is recent ook weer bevestigd in een uitspraak van rechtbank Noord-Nederland. De rechtbank benadrukte bovendien dat het aan de Belastingdienst is om te bewijzen dat geen sprake is van een inkeermelding. Een feitelijke uitspraak waarvan de strekking bij inkeermeldingen steeds in het oog moet worden gehouden.

Geldige inkeermelding

Een inkeermelding wordt alleen aangemerkt als vrijwillige verbetering als die wordt gedaan vóórdat u weet of moet vermoeden dat de Belastingdienst bekend is of bekend zal worden met uw eerdere onjuiste/onvolledige aangifte waarin inkomen of vermogensbestanddelen werden verzwegen.[1] Dus als de Belastingdienst al van de onjuiste/onvolledige aangifte op de hoogte is of zal worden, is het te laat. Dan volgen niet alleen navorderingsaanslagen, maar ook boetes of in sommige gevallen zelfs strafvervolging. De Hoge Raad heeft in 2001 geoordeeld dat wanneer op het moment van inkeer objectief bezien de serieuze mogelijkheid bestond dat de buitenlandse bankrekening niet zou worden achterhaald, dat dan uitgesloten is dat de belastingplichtige wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de Belastingdienst hem op het spoor zou komen. In dat geval is volgens de Hoge Raad sprake van een vrijwillige verbetering.

Inkeren na groepsverzoek

In de jurisprudentie is inmiddels een aantal keer geoordeeld dat UBS-rekeninghouders na publiciteit over het UBS-groepsverzoek te laat waren om nog in te keren.[2] De advocatuur heeft daarbij wel kritische noten geplaatst vanwege de weging van de feiten. Niettemin was de algemene tendens dat een groepsverzoek het doen van een geldige inkeermelding kan dwarsbomen of een succesvol beroep daarop op zijn minst heel moeilijk maakt.

In een soortgelijke kwestie oordeelde rechtbank Noord-Nederland op 9 mei 2019 echter dat een beroep op de inkeerregeling van een UBS-rekeninghouder moest worden gehonoreerd omdat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat de belastingplichtige op het moment van inkeer wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de Belastingdienst bekend zou worden met het bij de UBS aangehouden en eerder verzwegen vermogen. Het groepsverzoek en de media-aandacht waren in dit geval onvoldoende omdat de belastingplichtige zijn rekening had gesloten vóórdat het UBS-groepsverzoek werd gedaan en hij stelde dan ook niet door de bank over een dergelijk verzoek te zijn geïnformeerd. Hoewel een gesloten rekening in principe de informatie-uitwisseling niet in de weg staat, was dat de belastingplichtige niet bekend en bovendien kon hij middels een latere brief van de bank aantonen dat zijn gegevens niet waren of zouden zijn uitgewisseld.

Bewijslast

De rechtbank is naar onze mening terecht zeer streng op de bewijslastverdeling en de invulling daarvan. Ter onderbouwing daarvan wijst de rechtbank op paragraaf 5 lid 3 van het BBBB, waarin die bewijslastverdeling is bepaald. Volgens de rechtbank moet de Belastingdienst op basis van de concrete omstandigheden van het geval aannemelijk maken dat er op het moment van de inkeer objectief bezien geen serieuze kans (meer) bestond dat de Belastingdienst het verzwegen vermogen niet zou ontdekken of dat de kans op niet-ontdekking in feite verwaarloosbaar klein was. In deze zaak kon de Belastingdienst daaraan niet voldoen. De rechtbank benadrukt bovendien dat aan die bewijslast niet kan worden voldaan met de stelling van de Belastingdienst dat de handelwijze van de belastingplichtige deed vermoeden dat hij subjectief gezien wel had gevreesd dat zijn verzwegen UBS-vermogen door de Belastingdienst ontdekt zou worden.

Maatwerk

In de praktijk is het belangrijk om de bewijslastverdeling en de objectiviteit van het beoordelingscriterium in de gaten te houden. Nieuwe groepsverzoeken kunnen immers volgen. Bovendien worden wereldwijd ook steeds meer financiële gegevens automatisch uitgewisseld onder de zogenoemde common reporting standard (CRS). Dat leidt tot nieuwe informatiestromen uit bijvoorbeeld China, Hong Kong, of Peru. Inmiddels zien wij dat de Hang Seng bank uit Hong Kong zijn informatieverstrekkingsverplichtingen onder CRS naleeft.

Of en wanneer het dan (nog) zin heeft een inkeermelding te doen moet per geval worden bezien. Als de Belastingdienst nog niet per brief heeft gemeld van het buitenlandse, verzwegen vermogen op de hoogte te zijn, menen wij dat inkeren onder omstandigheden nog mogelijk kan zijn. Op basis van zijn beleid zal de Belastingdienst in die gevallen een beroep op de inkeerregeling gemakkelijk af willen wijzen. Zoals blijkt uit de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland, kan dat echter niet zonder dat de Belastingdienst aannemelijk maakt dat de feiten en omstandigheden daar objectief gezien aanleiding toe geven. Maar ook als de Belastingdienst al wel heeft gemeld dat hij het verzwegen buitenlandse vermogen op het spoor is – bijvoorbeeld middels een vragenbrief, aankondiging van een controle of een handhavingscommunicatiebrief – kan het lonen om alsnog een melding te doen. Het gaat er dan bijvoorbeeld om de navordering te beperken en te proberen de boete te matigen of zelfs om strafvervolging te voorkomen. De afweging tot een inkeermelding, maar ook de beoordeling van de geldigheid van een inkeermelding, zijn dus maatwerk.

 

 


[1] Sinds 1 januari 2018 is het niet meer mogelijk om in te keren voor in het buitenland aangehouden vermogen dat in box 3 belastbaar is. Overigens kan voor aangiften die vóór 1 januari 2018 (hadden moeten) zijn ingediend wel nog worden ingekeerd. De beperking van de inkeerregeling werkt dus pas voor aangiften vanaf 1 januari 2018.

[2] Bijvoorbeeld: rechtbank Gelderland 2 januari 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1 en rechtbank Den Haag 15 mei 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:5931