Skip to content

#133 Herleeft het ‘nieuw feit’?

16 september 2019

Naar aanleiding van HR (A-G) 26-06-2019, ECLI:NL:PHR:2019:707.

De inspecteur mag navorderen als hij een nieuw feit heeft. De jurisprudentie over het nieuw feit gaat ervan uit dat een inspecteur van vlees en bloed de aangifte beoordeelt. Dat is natuurlijk al lang niet meer zo. In het jaar 2010 introduceerde de Hoge Raad een nieuwe rechtsregel waardoor de inspecteur sneller een nieuw feit heeft. Als de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte juist was, hoeft de inspecteur de aangifte niet nader te onderzoeken. Advocaat-Generaal IJzerman heeft geconcludeerd dat de aangiften van beide fiscaal partners moeten worden beoordeeld. Die conclusie geeft ons aanleiding om te bepleiten dat ook het dossier moet worden geraadpleegd en pas relevant is of de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte juist is als de inspecteur de aangifte daadwerkelijk heeft beoordeeld. Een andere uitleg is namelijk tegenstrijdig met het oordeel van de Hoge Raad dat de inspecteur de aangifte en het dossier moet raadplegen.

Onderzoeksplicht van de inspecteur

De Hoge Raad oordeelt in het arrest van 17 februari 2017[1] dat de inspecteur voor het vaststellen van de definitieve aanslag met normale zorgvuldigheid kennis moet nemen van de aangifte. Daarbij moet in ieder geval de aangifte worden vergeleken met het (digitale) dossier dat de aangiften en andere gegevens van de belastingplichtige bevat met betrekking tot de te heffen belasting. Er hoeft pas nader onderzoek te worden gedaan als twijfel ontstaat over de juistheid van de aangifte.

Raadplegen aangifte fiscale partner

Als de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte juist is dan is er geen reden voor twijfel en hoeft de aangifte niet nader te worden onderzocht. Dit veronderstelt dat een inspecteur (en niet een computer) de aangifte met normale zorgvuldigheid bekijkt en vergelijkt met het dossier. In de procedures waarin de A-G concludeert zijn er opvallende afwijkingen/gebeurtenissen zoals de indiening van een overlijdensaangifte (F-biljet) en de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang. De inspecteur kan volgens de A-G achteraf niet zeggen dat de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangifte juist was omdat het vervreemdingsvoordeel in de aangifte van de partner kan zijn opgenomen. Wij onderschrijven de conclusie van de A-G dat bij de beoordeling of de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangifte juist was de aangifte van de fiscale partner in aanmerking moet worden genomen. Anders kan bij fiscale partners altijd worden gesteld dat de mogelijkheid bestaat dat de aangifte juist is omdat alles aan de fiscale partner kan zijn toegerekend. Het nieuw feit-vereiste zou daarmee worden uitgehold.

Vergelijken aangifte met dossier

Wij menen dat naast de aangiften van beide partners ook de informatie in de (digitale) dossiers van belang is. De Hoge Raad heeft immers geoordeeld dat de aangifte moet worden vergeleken met het dossier.

Theoretische toets

Als de aangifte niet inhoudelijk wordt beoordeeld en de definitieve aanslag conform de aangifte wordt opgelegd en vervolgens achteraf wordt getoetst of een niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangifte juist is, ontstaat een puur theoretische toets. Dit is in strijd met het systeem van een aanslagbelasting omdat de inspecteur dan na afloop van de aanslagtermijn door middel van een theoretische beredenering kan onderbouwen dat hij een nieuw feit heeft. Stel dat de inspecteur de aangifte toen had beoordeeld en met het dossier had vergeleken dan had hij gezien dat het niet-onwaarschijnlijk was dat de aangifte juist was en hoefde hij deze niet nader te onderzoeken.

De theoretische toets achteraf staat ver af van het nieuw feit-vereiste dat nog steeds in de AWR is opgenomen en wat de wetgever bewust heeft gehandhaafd bij het invoeren van de navorderingsmogelijkheid bij een kenbare fout (artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR). Met deze theoretische toets wordt de navorderingstermijn eerder de standaard aanslagtermijn in plaats van een uitzondering. Dat is uiteraard nimmer de bedoeling van de wetgever geweest. Wij menen dan ook dat de toets of de inspecteur aan de aangifte hoefde te twijfelen doordat de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte juist is pas aan bod kan komen als de aangifte ook daadwerkelijk is beoordeeld. Overigens bieden technische ontwikkelingen de inspecteur steeds meer mogelijkheden om de aangifte te vergelijken met de informatie waarover de Belastingdienst beschikt. Het oprekken van het nieuw feit-vereiste is dan ook niet nodig.

Toekomst van het nieuw feit

Wij menen dat door te snel aan te nemen dat de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte juist is, de navorderingsbevoegdheid te ver wordt opgerekt en niet meer aansluit bij de wet. Feitenrechters oordelen snel dat het niet-onwaarschijnlijk was dat de aangifte juist was. Daardoor is navordering doorgaans mogelijk en is het nieuw feit-vereiste in veel gevallen een wassen neus geworden. De toets of de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte juist is, zou alleen mogen worden toegepast als komt vast te staan dat de inspecteur de aangifte daadwerkelijk heeft beoordeeld. Het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2017 veronderstelt ook dat de inspecteur de aangifte in ieder geval moet vergelijken met zijn dossier. Wij bepleiten dan ook dat dit arrest tot uitgangspunt moet worden genomen bij de beoordeling of een nieuw feit aanwezig is.

Het is een goede stap dat de A-G concludeert om de aangifte van de partner te betrekken bij de beoordeling of de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte juist is. De A-G had ons inziens nog een stap verder kunnen gaan door de fysieke onderzoeksplicht die volgt uit het arrest van 17 februari 2017 bij zijn conclusie te betrekken en te analyseren hoe die onderzoeksplicht zich verhoudt tot de jurisprudentie over de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de aangifte juist is. Wie weet laat de Hoge Raad zich hierover uit.

 


[1] Hoge Raad17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:249.