Skip to content

#137 Strenge en precieze belangenafweging bij beroep op geheimhouding

14 oktober 2019

Met regelmaat wordt geprocedeerd over de geheimhouding van (delen van) stukken door de inspecteur. Dat speelt bijvoorbeeld naar aanleiding van belastingplichtigen die verzoeken om inzage in hun dossier (artikel 7:4 Awb) of bij het overleggen van de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding (artikel 8:42 Awb). Recent was de geheimhoudingskamer van Hof Arnhem-Leeuwarden zeer streng over de wijze waarop de inspecteur invulling moest geven aan zijn beroep op geheimhouding én benadrukte het Hof dat het belang van “vrijheid en vertrouwelijkheid van intern beraad” geen algemene rechtvaardigingsgrond is voor het geheimhouden van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het is goed om dit in de gaten te houden wanneer je zelf met een beroep op geheimhouding te maken krijgt.

Weglakken van inhoud duizenden berichten

In onderhavige zaak betwist belanghebbende de rechtmatigheid van een naheffingsaanslag BPM met een beroep op het vertrouwensbeginsel. Op zitting in de hoofdzaak zijn afspraken gemaakt over het overleggen van nadere op de zaak betrekking hebbende stukken[1] zowel door belanghebbende als door de inspecteur. De inspecteur heeft in dat kader toegezegd alle correspondentie (e-mails en overige correspondentie) te overleggen die betrekking heeft op de zaak en in het bijzonder op het vertrouwensbeginsel. In totaal gaat het om meer dan 2.200 berichten. De inspecteur is echter van mening dat de correspondentie grotendeels geheim mag worden gehouden in verband met de “vrijheid en vertrouwelijkheid van intern beraad” en heeft om die reden een groot deel van de inhoud van de stukken en de adressering weggelakt. Bij de geheimhoudingskamer van het Hof is in geschil of het weglakken wel terecht is. Hoewel we in de meeste gevallen zien dat de inspecteur zich op geheimhouding beroept, heeft ook belanghebbende het recht daartoe. In deze zaak was het de inspecteur die zich op geheimhouding beroept. We beschouwen de kwestie dan ook verder tegen die achtergrond.

Gewichtige redenen

Een geschil over een door de inspecteur genomen besluit moet worden beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. Volgens de Hoge Raad[2] dient de verplichting voor de inspecteur tot het overleggen van de op de zaak betrekking hebbende stukken ertoe die beoordeling te waarborgen. Belastingplichtigen hebben er dus belang bij dat zij en de rechter integraal kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Alleen bij een gerechtvaardigd beroep op geheimhouding, ex artikel 8:29 lid 1 Awb, mag de inbreng van stukken of het geven van inlichtingen dan ook worden geweigerd of beperkt.

Voor een gerechtvaardigd beroep op geheimhouding dient sprake te zijn van gewichtige redenen. Dat dient per geval worden beoordeeld. De rechter moet daartoe de belangen van de tot geheimhouding verzoekende inspecteur afwegen tegen het belang van de belastingplichtige bij integrale kennisneming. Volgens de geheimhoudingskamer dient bij toepassing van geheimhouding/beperkte kennisneming de grootst mogelijke terughoudendheid te worden toegepast. Pas wanneer de door de inspecteur aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming, kan worden geconcludeerd dat sprake is van gewichtige redenen die de beperkte kennisneming rechtvaardigen. Een zware bewijslast dus voor de inspecteur.

Intern beraad

Een voorbeeld van een gewichtige reden voor de inspecteur is bijvoorbeeld “intern beraad” binnen de Belastingdienst. Intern beraad ziet onder meer op strategische overwegingen, intern juridisch beraad, standpuntbepalingen en/of persoonlijke opmerkingen van medewerkers. De inspecteur stelt zich in deze zaak op het standpunt dat het belang van “intern beraad” in alle gevallen aanzienlijk zwaarder weegt dan het individuele belang van belanghebbende tot onbeperkte kennisneming van (delen van) de stukken. Dat is volgens de geheimhoudingskamer van het Hof onjuist. Intern beraad is volgens het Hof geen algemene gewichtige reden die steeds tot geheimhouding moet leiden. Wat ons betreft een terecht oordeel. Anders wordt voorbijgegaan aan de belangenafweging per geval. Het Hof laat het daar echter niet bij. Het verduidelijkt ook hoe de inspecteur zijn beroep op geheimhouding/beperkte kennisgeving moet invullen. Het Hof verlangt van de inspecteur dat hij per bericht en per passage van de correspondentie afzonderlijk aanduidt welke specifieke gewichtige redenen voor geheimhouding gelden én welke belangenafweging.

Het biedt vertrouwen dat de geheimhoudingskamer zo terughoudend is. Beperkte kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken tornt immers aan het recht op onbeperkte kennisneming van de stukken door belastingplichtigen en daarmee aan het beginsel van equality or arms. De strenge belangenafweging moet bij beoordeling van een beroep op geheimhouding van stukken/inlichtingen dan ook steeds in acht worden genomen. Deze zaak verduidelijkt de praktische invulling daarvan.

 

 


[1] In de Hertoghs Beschouwt van 5 februari 2018 en van 17 mei 2018 gaan wij nader in op de rechtsregels voor ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’.

[2] Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672.