Skip to content

#138 Pleitbaar standpunt ook voor feiten

21 oktober 2019

Een pleitbaar standpunt kan niet op een stellingname over een feitelijke kwestie zien, aldus Advocaat-Generaal Niessen. Die conclusie geeft ons aanleiding om daarop te reageren. Wij menen namelijk dat ook een stelling van feitelijke aard, zoals de waarde van aandelen, pleitbaar kan zijn. De waardering van aandelen is een fiscale kwalificatie van de feiten. De feiten zijn de vaststaande aankoop- en verkoopprijs. De fiscale kwalificatie daarvan leidt tot een waarde op een fiscaal relevant moment. Ook feitelijke stellingen zoals de hoogte van aftrekbare kosten, waarderingen e.d. kunnen naar onze mening pleitbaar zijn. Overigens hoeft niet altijd een beroep op een pleitbaar standpunt te worden gedaan. Als de inspecteur niet aannemelijk maakt dat bewust een onjuiste aangifte is gedaan, kan geen boete worden opgelegd en kan de bewijslast niet worden omgekeerd en verzwaard.

Feiten

Advocaat-Generaal Niessen[1] concludeert dat een stellingname over een feitelijke kwestie geen pleitbaar standpunt kan vormen. De procedure betreft de waarde van certificaten van aandelen (cva) op het vastgestelde genietingsmoment op 14 november 2006. De belanghebbende gaat uit van de nominale waarde van € 10 per cva. De Belastingdienst stelt dat de waarde per cva primair € 2.265, subsidiair € 1.673 en meer subsidiair € 1.479 bedraagt. In een opinie is een waarde van € 567 per cva vastgesteld.

De belanghebbende heeft in de aangifte een waarde van € 10 per cva opgenomen. In geschil is mede of de vereiste aangifte in de zin van artikel 27e, lid 1, AWR is gedaan. Het Hof oordeelt dat de vereiste aangifte is gedaan waardoor de bewijslast niet wordt omgekeerd en verzwaard. De Rechtbank oordeelde daarentegen dat de inspecteur niet had bewezen dat de waarde van de cva op 14 november 2006 hoger was dan de nominale waarde van € 10.

Bewustheid

Het Hof oordeelt dat reeds vanwege het oordeel van de Rechtbank niet kan worden gezegd dat de belanghebbende wist of zich ervan bewust moest zijn dat een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Bewustheid is vereist voor het oordeel dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Het Hof oordeelt naar onze mening terecht dat belanghebbende niet wist of zich ervan bewust moest zijn dat een aanzienlijk bedrag aan belasting niet werd geheven. De belanghebbende ging ervan uit dat de nominale waarde op 14 november 2006 nog de waarde van de cva vertegenwoordigde. Tegen het oordeel van het Hof dat bij belanghebbende geen bewustheid aanwezig was, is voor zover uit de conclusie blijkt in cassatie niet geklaagd. Als over het ontbreken van de bewustheid inderdaad niet is geklaagd dan staat volgens ons het oordeel van het Hof dat de vereiste aangifte is gedaan vast.[2] Reeds het ontbreken van bewustheid heeft tot gevolg dat de vereiste aangifte is gedaan.

Of een pleitbaar standpunt is ingenomen is dan niet van belang omdat aan één van de cumulatieve vereisten, namelijk de bewustheid niet is voldaan. In de praktijk zien wij dat bij de beoordeling of de vereiste aangifte is gedaan of een boete in stand kan blijven het pleitbaar standpunt een prominente rol vervult. Echter, als geen bewustheid (vereiste aangifte) of willens en wetens (opzet) aanwezig is, dan hoeft niet beoordeeld te worden of sprake is van een pleitbaar standpunt. Het vaststellen van de geestestoestand is niet eenvoudig en de bewijslast daarvoor rust op de inspecteur.

Pleitbaar standpunt

De Advocaat-Generaal gaat niet in op de bewustheid. Hij analyseert of het oordeel van het Hof dat sprake is van een pleitbaar standpunt in stand kan blijven. Het Hof oordeelde dat het standpunt dat de cva geen hogere waarde dan de nominale waarde hadden pleitbaar is. De Staatssecretaris heeft in cassatie betoogd dat standpunten ten aanzien van feiten of het bewijs daarvan geen pleitbare standpunten kunnen opleveren. De A-G verwijst naar het arrest BNB 2012/25 waarin is geoordeeld dat een vernietiging van de naheffingsaanslag door de rechtbank op grond van een feitenvaststelling of waardering van de bewijsmiddelen in zijn algemeenheid niet meebrengt, dat een pleitbaar standpunt is ingenomen. Vervolgens haalt de A-G het arrest BNB 2007/292 aan en merkt op dat daarin wordt gesproken over kwalificatie van de feiten en niet over de vaststelling van de feiten of de bewijswaardering die daaraan voorafgaat.

Ter aanvulling op die jurisprudentie verwijzen wij nog naar de verwijzingsopdracht in het arrest BNB 1988/319. In die verwijzingsopdracht overweegt de Hoge Raad dat het Hof in zijn oordeel zal moeten betrekken of het standpunt over de waarde van de woning ten tijde van de oplevering als gevolg van inmiddels opgetreden prijsdalingen op de onroerend-goedmarkt pleitbaar is. Uit dit arrest kan worden afgeleid dat het leerstuk van het pleitbaar standpunt ook van toepassing is op feitelijke stellingen waaronder waardebepalingen.

De A-G verwijst ook naar het Credit Suisse-arrest[3] waarin is geoordeeld dat de aangifteverplichting noodzakelijkerwijs meebrengt dat de betrokkene bij het doen van aangifte de – niet zelden complexe – belastingwetgeving moet uitleggen, ook in gevallen waarin onduidelijkheid bestaat over de vraag welke interpretatie juist is. Hij leidt hieruit af dat een pleitbaar standpunt betrekking kan hebben op de interpretatie van het belastingrecht waaronder de kwalificatie van de feiten.

Pleitbaar standpunt: toepassing recht op feiten

Het gaat er dus om of het standpunt in de aangifte waarbij het recht op de feiten wordt toegepast pleitbaar is. De A-G komt tot de conclusie dat de waarde in het economische verkeer van de cva een feitelijke kwestie is waardoor een stellingname daarover geen pleitbaar standpunt kan vormen. Dit is niet in lijn met het arrest BNB 1988/319. Wij menen dat de waardering van de cva een kwalificatie van de feiten betreft. Feit is dat belanghebbende op 21 augustus 2006 de nominale waarde van € 10 per cva heeft betaald. In juli 2007 is een bedrag van € 2.256 bij een aandelentransactie als prijs gehanteerd. De beoordeling of in het jaar 2006 inkomen is genoten met het verkrijgen van de aandelen betreft een fiscale kwalificatie van de feitelijke gang van zaken. Is sprake van belastbaar inkomen, zo ja op welk moment? En zo ja, wat is de hoogte van het belastbaar inkomen? Het vaststellen van de hoogte van inkomen dan wel vermogen betreft volgens ons een fiscale kwalificatie van de feiten. Welk belang moet worden toegekend aan de aankoopprijs, welke factoren zijn relevant bij het bepalen van de waardeontwikkeling en welk belang moet worden toegekend aan een verkoopprijs die 1 jaar later ligt of 3 jaar later ligt? Kortom, waardebepaling is het kwalificeren van feiten naar een waarde die met toepassing van de fiscale wetten in de aangifte moet worden opgenomen. Ook het vaststellen van bijvoorbeeld de kosten die in aftrek kunnen worden gebracht in de aangifte betreft naar onze mening een fiscale kwalificatie. Feitelijk kan er een bon aanwezig zijn van een etentje in een restaurant. Vervolgens moet aan de hand van het fiscale recht worden beoordeeld of die kosten aftrekbaar zijn.

Cruciaal blijft dat de belastingplichtige bij het indienen van de aangifte een standpunt in moet nemen. Het standpunt zal doorgaans gemengd zijn doordat het recht op de feiten wordt toegepast. Ook in deze gevallen van fiscale kwalificatie kan een standpunt pleitbaar zijn. De conclusie van de A-G dat een stelling over de waarde in het economisch verkeer niet pleitbaar kan zijn, volgen wij dan ook niet. De belastingplichtige moet ook in feitelijke situaties beschermd worden tegen te snelle boeteoplegging of omkering van de bewijslast. Waarbij van belang is dat de vraag of een pleitbaar standpunt is ingenomen niet hoeft te worden beantwoord als de inspecteur niet bewijst dat bewust een onjuiste aangifte is gedaan.

 

 

[1] Parket bij de Hoge Raad 2 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:859.

[2] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3620, r.o. 4.6.