Skip to content

#141 Tipgever (II): einde oefening?

11 november 2019

De Hoge Raad heeft (afgelopen) vrijdag 8 november 2019 arrest gewezen[1] in de tipgevers­zaak. Voor de tweede keer in deze zaak. De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het gerechts­hof ’s-Hertogenbosch dat de navorderingsaanslagen vernietigde, omdat naar het oordeel van het hof, was voldaan aan het “zozeer-indruist’’-criterium, zodat het van de tipgever afkomstige bewijsmateriaal niet van gebruik mag worden uitgesloten. De Staatssecretaris tekende beroep in cassatie aan.

Eerste tipgevers-arrest

De Hoge Raad verwijst (onder een kopje “verwijzingsopdracht”) expliciet naar zijn (eerste) arrest van 18 december 2015[2] in deze zaak en de daarin gegeven oordelen waarmee de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden werd vernietigd. Dat hof had de navorderings­aanslagen vernietigd omdat de inspecteur had volhard in zijn weigering alle op de zaak betrek­king hebbende stukken in het geding te brengen. Het hof oordeelde dat de inspecteur met een dergelijke weigering steeds de rechtsorde in ernstige mate schendt, welk oordeel volgens de Hoge Raad getuigde van een onjuiste rechtsopvatting. Voor de toepassing van art. 8:31 Awb dienen alle omstandigheden te worden meegewogen, aldus de Hoge Raad in zijn (eerste) arrest, waaronder het belang van de waarheidsvinding. Verder had de Hoge Raad met zijn arrest van 18 december 2015 geoordeeld dat de (enkele) onzekerheid over de betrouwbaar­heid van de tipgever onvoldoende is voor vernietiging van de aanslagen.

‘Zozeer indruist’-criterium

Bij de beoordeling van het eerste cassatiemiddel van de Staatssecretaris borduurt de Hoge Raad verder op de (hierboven) vermelde oordelen die met het eerste arrest waren gegeven. De Hoge Raad stelt vast dat het hof geen aanleiding heeft gevonden voor twijfel aan de betrouwbaar­heid van het bewijsmateriaal. Ook overigens is het hof bij de beoordeling van de gegrondheid van de aanslagen, niet bemoeilijkt door het achterhouden van de identiteit van de tipgever, aldus de Hoge Raad. Verder constateert de Hoge Raad dat het hof – bij de toepas­sing van het “zozeer-indruist”-criterium – heeft vastgesteld dat de belanghebbenden niet als gevolg van het onrechtmatig handelen van de tipgever zijn geraakt in hun belangen. De Hoge Raad brengt op dit punt zijn – ook door het hof zelf aangehaalde – jurisprudentie in herinnering, waarin is beslist dat bewijs dat dat door derden onrechtmatig is verkregen, niet aan het gebruik daarvan in strafzaken in de weg staat, mits de overheid niet zelf bij die onrechtmatige verkrij­ging betrokken is geweest. Voor fiscale zaken, geldt volgens de Hoge Raad hetzelfde.  

Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat de overwegingen van het hof die inhouden dat over het materiaal van de tipgever eerst kan worden beslist na onderzoek naar diens strafbare handelen, getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Dat lijkt op zich een logische beslissing van de Hoge Raad. Waarom onderzoek doen naar het mogelijk strafrechtelijk laakbare handelen van de tipgever, als het van die tipgever afkomstige materiaal volgens vaste jurispru­dentie toch gebruikt mag worden?

De overwegingen van het hof, waarmee het heeft gezegd dat de inspecteur onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn belangenweging bij het sluiten van een overeenkomst met de tipgever, kunnen zijn beslissing – tot vernietiging van de aanslagen – evenmin dragen, aldus de Hoge Raad.

Klikcultuur

Opvallend is dat de Hoge Raad in dit verband overweegt dat met het toekennen van een beloning aan een tipgever een overheidstaak kan worden vervuld. De Belastingdienst en andere toezichthouders zullen zich als gevolg van deze overweging gesterkt voelen in het sluiten van overeenkomsten met tipgevers. Of dat nu zo’n wenselijke ontwikkeling is, kan sterk worden betwijfeld. Het kan een “klikcultuur” in de hand werken.

Is er nog een kans op een goede afloop?

De zaak is nu voor de tweede keer verwezen naar een ander hof. Dat hof resteert – na dit arrest van de Hoge Raad – nauwelijks ruimte om het bewijs dat van de tipgever afkomstig is uit te sluiten, of anderszins tot een vernietiging van de aanslagen te oordelen, op gronden die verband houden met de weigering van de inspecteur de identiteit van de tipgever bekend te maken.

Aan de andere kant: het hof kan krachtens art. 8:31 Awb die consequenties aan het schenden van een wettelijke plicht verbinden, die het geraden voorkomt. Dat geeft het hof de nodige ruimte. Hoe dan ook dient de rechter paal en perk te kunnen stellen aan weigeringen van de inspecteur om aan de wettelijke plicht gevolg te geven. Anders zal met die wettelijke plicht steeds meer een loopje worden genomen en kan men van belastingplichtigen moeilijk een andere opstelling verwachten.

 

 

 

 

[1] ECLI:NL:HR:2019:1715

[2] ECLI:NL:HR:2015:3600