Skip to content

#150 Een witwaszaak met nuance

27 januari 2020

Witwassen is ‘populair’

De bestrijding van witwassen is momenteel een van de topprioriteiten van het Openbaar Ministerie. Daarbij worden vele hulptroepen ingeschakeld, zoals accountants, banken en belastingadviseurs. Dat het verlenen van die hulp geen kleinigheid is, heeft ING aan den lijve ondervonden. Toen bleek dat de bank bij de bestrijding van witwassen onvoldoende inspanningen had geleverd, moest zij een enorme boete incasseren. Echter niet alleen de professionals in de financiële wereld voelen de zweep van het Openbaar Ministerie. Ook de nodige ondernemers zien zich geconfronteerd met onderzoeken omdat zij betrokken zouden zijn bij witwassen.

Pecunia non olet

In onze praktijk zien wij vaak dat ondernemers een witwasonderzoek met veel verbazing gade slaan. Voor de meeste ondernemers geldt nog steeds aloude Latijnse gezegde: pecunia non olet (geld stinkt niet). Indien zij worden benaderd door iemand die wil meehelpen om een investering te financieren, worden vaak weinig vragen gesteld. De focus ligt op het succesvol afronden van de investering. Waar mede-investeerders hun geld vandaan hebben gehaald, is – zo redeneren velen – het probleem van de ander.

Toch is inmiddels wel duidelijk dat het zo eenvoudig niet ligt. Indien het geld voor een investering een criminele herkomst heeft, kan het bezit of gebruik daarvan worden gezien als een strafbare witwashandeling. Daarbij moet gedacht worden dat geld dat (deels) is verdiend omdat geen belastingen zijn betaald, ook kan worden gezien als afkomstig uit misdrijf.

Eenieder weet dat in het strafrecht de bewijslast voor het gepleegde strafbare feit bij het Openbaar Ministerie ligt. Echter bij witwassen ligt het genuanceerder. Indien het Openbaar Ministerie zogeheten witwasindicatoren kan aanwijzen (zoals bijvoorbeeld gebruik van offshore vennootschappen als financier) dan wordt al snel van de ontvanger van het geld een verklaring omtrent de legale herkomst verwacht. Slaagt de ontvanger van het geld daar niet in, dan ligt een veroordeling voor betrokkenheid bij witwassen op de loer.

Financiële mores zijn niet universeel

Vaak zien wij ondernemers uit andere culturen die als gevolg van deze regelgeving in Nederland in de problemen komen. Ondernemers in landen met een nog niet bijster goed ontwikkelde rechtsstaat plegen hun bezittingen in het buitenland te bewaren. Rechtspersonen in de bekende offshore jurisdicties zoals de Britse Maagdeneilanden worden gebruikt voor het bewaren van de bezittingen.

Het is voor dergelijke ondernemers vaak niet gemakkelijk om de witwasindicatoren te ontzenuwen door een verifieerbare verklaring voor de herkomst van hun investeringen te geven. Het Nederlandse Openbaar Ministerie kijkt door een Nederlandse bril naar dergelijke structuren en vindt de verklaring dan al snel onvoldoende of ongeloofwaardig.

Andorra 2007 is Nederland 2019 niet

Een recent vonnis van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2019:9623) laat zien dat rechters bereid zijn een witwaszaak in een breder, internationaler perspectief te plaatsen. Het vonnis zag op een witwasverdenking in verband met een investering in een Andorrees bouwproject. Het Nederlandse Openbaar Ministerie had vele vraagtekens geplaatst bij de financiering van dat project. Het vermoeden bestond dat het geld afkomstig was van een Italiaanse handelaar in drugs. Gebruik van offshore vennootschappen, gebruik van aanzienlijke sommen contant geld, het gebruik van versluierde namen, het ontbreken van een goede administratie waren in de ogen van het Openbaar Ministerie witwasindicatoren. Overigens ook naar het oordeel van deze rechtbank, was duidelijk sprake van witwasindicatoren, althans indien deze worden bekeken vanuit het Nederlandse perspectief. Echter dat Nederlandse perspectief was volgens de rechtbank in deze zaak niet het juiste. Omdat het een investering betrof in Andorra in de periode 1999 tot eind 2007 moest onderzocht worden of de betreffende handelingen in die periode ook in Andorra als uiterlijk verschijningvormen van witwashandelingen aangemerkt moesten worden. Daar ging het vervolgens goed voor de verdachte omdat uit diverse bronnen/getuigenverklaringen viel op te maken dat de betreffende handelingen in die periode in Andorra niet ongebruikelijk waren. Daardoor kon de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat sprake was geweest van witwassen van door misdrijven verkregen geld.

Opzet is weten en willen

Het vonnis is ook nog de moeite waard omdat het illustreert dat de rechtbank kritisch kijkt naar het bewijs van opzet. Zoals wij al regelmatig in Hertoghs beschouwt hebben gesignaleerd is pas van opzet sprake als er bewijs is van zowel weten als willen. Alleen bewustheid van de elementen van een strafbaar feit is niet voldoende. In deze zaak houdt de rechtbank beide facetten van opzet duidelijk in het vizier. De rechtbank oordeelt dat de verdachte wel rekening moest houden met de aanmerkelijke kans dat het geld uit misdrijf afkomstig is (het weten) maar dat hij die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard (het willen). Met andere woorden de rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de verdachte de ontvangst van crimineel geld accepteerde of de kans daarop op de koop toenam (het zogenaamde voorwaardelijke opzet).

Een mooi vonnis van de rechtbank! Hopelijk heeft dit vonnis ook bij het Openbaar Ministerie het inzicht laten doorbreken dat witwaszaken in het juiste perspectief zowel qua plaats als qua tijd van handeling moeten worden gezien.