Skip to content

#153 Onschuldig, maar het tegendeel alsnog willen bewijzen?

17 februari 2020

Niet zelden wordt in zaken zowel strafrechtelijk als fiscaalrechtelijk geprocedeerd. Bijvoorbeeld bij strafrechtelijke vervolging wegens het doen van onjuiste belastingaangifte, maar ook in geval van illegale inkomsten – zoals inkomsten uit omkoping, oplichting of verboden handel – volgen in de regel belastingaanslagen en een fiscale procedure. De strafrechtelijke en fiscale procedures bestaan naast elkaar, maar kunnen niet (volledig) los van elkaar worden gezien: zeker niet als een strafrechtelijke vervolging resulteert in een vrijspraak.  

Geen twijfel zaaien

In Europese en nationale jurisprudentie is een bestendige lijn ontwikkeld. Als sprake is van samenhangende procedures is de onschuldpresumptie ook van toepassing in de fiscale procedure. Er mag dan geen twijfel worden gezaaid over de juistheid van de vrijspraak.

De belastingrechter en de strafrechter hebben allebei een eigen beoordelingsruimte. Daarbij staat voorop dat op grond van de onschuldpresumptie een vrijspraak achteraf niet in twijfel mag worden getrokken door het oordeel in een fiscale procedure. Een vrijspraak staat niet per definitie aan handhaving van belastingaanslagen in de weg. Als gevolg van minder strenge bewijsregels of op grond van aanvullend bewijs kunnen gedragingen alsnog door de belastingrechter aannemelijk worden geacht, maar de rechter mag met zijn optreden, de motivering van de beslissing of gebruikte bewoordingen geen twijfel doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak.

Krappe ruimte om af te wijken

Dit door de Hoge Raad geformuleerde toetsingskader laat ruimte en de toepassing daarvan door de rechter blijkt dan ook hoogst feitelijk. Een volhardende inspecteur kan zich vaak moeilijk verenigen met een strafrechtelijke vrijspraak en zoekt naar de – krappe! – ruimte die hem wordt geboden om toch de aanslagen in stand te houden. Die ruimte wordt niet altijd gezocht op de meest genuanceerde manier en reeds de wijze waarop een inspecteur volhardt in het zoeken van die ruimte zal door een belanghebbende worden ervaren als twijfel aan de vrijspraak. De fiscus vergeet in dit soort gevallen nogal eens dat ook hij de grondrechten van burgers, waaronder het in het EVRM verankerde onschuldvermoeden, heeft te respecteren.

Hof Amsterdam ziet geen ruimte

Het fiscale oordeel na een vrijspraak zal zeker door de rechter voorzichtig moeten worden benaderd. Hof Amsterdam deed dat in zijn arrest van 27 november 2018. Belanghebbende was strafrechtelijk vervolgd op verdenking van de verkoop van hasj en deelname aan een criminele organisatie. Voor de verkoop van hasj werd hij veroordeeld maar voor de overige feiten werd hij vrijgesproken. De inspecteur legde aanslagen op die waren gebaseerd op informatie uit de strafzaak en ontnemingszaak en betrof inkomsten die zouden zijn gegenereerd met handelingen waarvoor vrijspraak was gevolgd in de belastingheffing.

Hof Amsterdam zag niet in hoe het de aanslagen stand kon houden zonder de vrijspraak in twijfel te trekken en vernietigde de aanslagen voor zover deze waren gebaseerd op feiten waarvoor belanghebbende was vrijgesproken. Ter motivering had het hof geoordeeld dat de inspecteur zich baseerde op het strafrechtelijk bewijsmateriaal en dat het geen mogelijkheid zag om het standpunt van de inspecteur te volgen zonder in strijd te komen met het onschuldvermoeden. Dat standpunt kwam er volgens het hof immers op neer dat belanghebbende wel degelijk inkomsten had genoten uit activiteiten waarvoor hij was vrijgesproken. 

Wij vinden dit een bijzonder zuivere benadering van het hof. De inspecteur baseerde de aanslagen kennelijk enkel en alleen op het strafdossier dat tot een vrijspraak had geleid. Die vrijspraak dwingt het hof er dan toe om bijzonder goed op zijn woorden te letten en geen twijfel te doen ontstaan over die vrijspraak.

Het belang van de verschillende bewijsstelsels

De Staatssecretaris kon zich hier echter niet mee verenigen en stelde cassatie in. Advocaat-generaal IJzerman nam op 30 oktober 2019 een conclusie. Naar de mening van de advocaat-generaal was de motivering van het hof te algemeen. Volgens hem moet het hof eerst beoordelen of de inspecteur voldoende bewijs heeft geleverd voor de belastingaanslagen (al dan niet met omkering van bewijslast), waarna vervolgens moet worden getoetst of het in stand laten van de aanslagen strijd zou opleveren met de onschuldpresumptie. De advocaat-generaal bedeelt daarbij veel waarde toe aan de verschillende bewijsstelsels.

Op 31 januari 2020 heeft de Hoge Raad arrest gewezen en de conclusie van de advocaat-generaal gevolgd. Het hof had – op basis van de fiscale bewijsregels en aan de hand van de wederzijdse stellingen van partijen en het ingebrachte bewijs – per bestreden aanslag moeten beoordelen in hoeverre de aanslagen juist zijn. Dat heeft het Hof in het bestreden oordeel miskend en daarom volgt verwijzing.

Waar het hof – onder verwijzing naar Europeesrechtelijke jurisprudentie als Melo Tadeu, Sekanina en Geerings – geen mogelijkheid ziet het standpunt van de inspecteur te volgen zonder twijfel over de vrijspraak te zaaien, verplicht de Hoge Raad het hof hier dus nog tot een tussenstap. Eerst moet worden beoordeeld of de inspecteur voldoende bewijs heeft geleverd en dan pas komt de vraag aan bod of dat strijd met de onschuldpresumptie oplevert. Dat het oordelen op grond van bewijsmateriaal waarvoor reeds een vrijspraak is gevolgd al over het Europeesrechtelijke randje is – zelfs het uiten van vermoedens met betrekking tot de onschuld is niet toelaatbaar – blijft onbesproken. 

De onschuldpresumptie verdient een krachtiger signaal

Dit arrest van de Hoge Raad is nog niet het daadkrachtige signaal dat dit rechtsbeginsel verdient. De fiscale zaak leunt op hetzelfde materiaal als dat waarop de strafrechter had vrijgesproken; een vrijspraak die de fiscale rechter niet mag negeren. Europeesrechtelijk lijkt de onschuldpresumptie sterker gewaarborgd dan door de Hoge Raad, die de krappe ruimte voor de inspecteur in stand laat. Het is maar de vraag of de inspecteur daar in deze zaak uiteindelijk iets mee zal opschieten, nu de inspecteur vermoedelijk niet aannemelijk zal kunnen maken dat belanghebbende inkomsten heeft gegenereerd uit activiteiten waarvoor hij is vrijgesproken. Zonder daarbij te (blijven) leunen op het strafdossier